Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:1996:AA1854

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 januari 1996
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30707
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Van der Linde
  • Bellaart
  • De Moor
  • Van der Putt-Lauwers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 letter h Wet op de omzetbelasting 1968Art. 8 lid 4 Wet op de omzetbelasting 1968Art. 11 Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968Art. 12 Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968Art. 13a Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling maatstaf van heffing omzetbelasting bij levering van in eigen bedrijf vervaardigde complexen

Belanghebbende, een projectontwikkelaar, kocht in 1985 en 1987 grond waarop zij twee complexen bouwde bestaande uit winkels en premie-huurwoningen. Voor de woningen gold een verkoopverbod gedurende twintig jaar na ingebruikneming. Over de levering van deze complexen werd een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd.

Na bezwaar en beroep bevestigde het Hof de aanslag, waarbij het Hof oordeelde dat de maatstaf van heffing voor de woningen niet afzonderlijk kon worden vastgesteld, maar voor het gehele complex moest gelden. Belanghebbende stelde dat de maatstaf van heffing moest worden gebaseerd op de waarde in het economische verkeer van de woningen afzonderlijk.

De Hoge Raad oordeelde dat het Hof op een juridisch onjuiste grondslag had beslist door niet te bepalen welke maatstaf van heffing op grond van de wet van toepassing was en welk deel van de belasting aftrekbaar was. Het oordeel van het Hof over de niet aannemelijkheid van een afspraak tussen belanghebbende en de Inspecteur werd als feitelijk en niet onbegrijpelijk beoordeeld.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing, met inachtneming van de gegeven richtlijnen. Tevens werd belanghebbende in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over proceskosten.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak voor verdere behandeling terug naar het Gerechtshof Amsterdam.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 12 augustus 1994 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1986 tot en met 31 december 1988 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag ten bedrage van ƒ 9.962,-- zonder verhoging. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van 's Hofs uitspraak naar aanleiding van de middelen van cassatie en ambtshalve 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende, die het bedrijf uitoefent van projectontwikkelaar, heeft in 1985 grond gekocht, waarop zij een complex, bestaande uit vier winkels en zes bovenwoningen heeft gebouwd. De stichtingskosten exclusief omzetbelasting van het gehele complex (hierna: complex I) bedroegen ƒ 1.227.774,--. Dit complex is opgeleverd en in gebruik genomen op 1 maart 1986. In afwachting van verkoop zijn de winkels en woningen door belanghebbende verhuurd. De winkels zijn verhuurd met optie voor belaste verhuur. In 1987 heeft belanghebbende grond gekocht en hierop een complex, bestaande uit vijf winkels en zeven bovenwoningen (hierna: complex II) gebouwd. Complex II is op 1 februari 1988 opgeleverd en in gebruik genomen. Het wordt door belanghebbende zelf geëxploiteerd. De winkels zijn verhuurd met optie voor belaste verhuur. De stichtingskosten exclusief omzetbelasting van complex II bedroegen ƒ 1.276.424,--. De woningen in de complexen I en II zijn zogenoemde premie-huurwoningen. Ingevolge de daarop van toepassing zijnde regelgeving is gedurende twintig jaren na de ingebruikneming verkoop van afzonderlijke woningen aan particulieren ten behoeve van eigen bewoning niet toegestaan. Beide complexen dienen te worden aangemerkt als door belanghebbende in eigen bedrijf vervaardigd, in de zin van artikel 3, lid 1, letter h, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet). Betreffende de onderwerpelijke naheffingsaanslag heeft ten kantore van de toenmalige Inspecteur der omzetbelasting op 4 december 1991 een bespreking plaatsgevonden tussen de Inspecteur, in de persoon van A, en de gemachtigde van belanghebbende.
3.2. Het Hof heeft overwogen dat belanghebbendes primaire beroepsgrond - waarbij zij heeft gesteld dat als maatstaf van heffing voor de woningen dient te worden aangehouden het bedrag dat voor die woningen zou moeten worden betaald op het tijdstip van levering, welke maatstaf zij aanduidt als "de waarde in het economische verkeer" - kennelijk aldus moet worden verstaan, dat de door haar verdedigde maatstaf van heffing op een gedeelte van de onderhavige leveringen van de onderscheiden complexen moet worden toegepast, los van de vraag welke maatstaf op de leveringen van de gehele complexen van toepassing is. Vervolgens heeft het Hof - terecht - deze stelling verworpen, nu de in artikel 8, lid 4, van de Wet bedoelde maatstaf van heffing moet worden toegepast op in het eigen bedrijf vervaardigde goederen in hun geheel, onder welke goederen blijkens de door het Hof gegeven omschrijving van het geschil zijn te verstaan respectievelijk de complexen I en II.
3.3. Het Hof heeft partijen gevolgd in haar in onderdeel 5 van de bestreden uitspraak weergegeven conclusies. Deze conclusies berusten echter op een juridisch onjuist uitgangspunt. Het Hof had uitgaande van zijn hiervóór in 3.2 laatstvermelde oordeel moeten beslissen welke maatstaf van heffing op grond van artikel 8, lid 4, van de Wet dient te worden aangelegd ter bepaling van de omzetbelasting verschuldigd ter zake van de levering in de zin van artikel 3, lid 1, letter h, van de Wet van de beide complexen, voorts op welk bedrag deze belasting dan uitkomt, en ten slotte welk deel van deze belasting vervolgens met toepassing van de artikelen 11 tot en met 13a van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 in aftrek dient te worden gebracht. Het Hof heeft een en ander ten onrechte nagelaten.
3.4. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat belanghebbende tegenover de betwisting van de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat tussen haar gemachtigde en de belastingambtenaar A de door belanghebbende gestelde afspraak tot stand is gekomen. Het Hof heeft overwogen dat voor een andersluidend oordeel onvoldoende aanwijzingen zijn te vinden in de gedingstukken, waaronder het proces-verbaal van het getuigenverhoor, noch zodanige aanwijzingen anderszins zijn gebleken.
3.5. Het 3e en 4e middel bestrijden 's Hofs hiervóór in 3.4 weergegeven oordeel tevergeefs, aangezien dit als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden.
3.6. Gelet op het hiervóór in 3.3 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven en behoeven de middelen voor het overige geen behandeling. Verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten De Hoge Raad zal met het oog op een eventuele veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken belanghebbende in de gelegenheid stellen zich uit te laten als hierna bepaald.
5. Beslissing. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 300,--, en stelt belanghebbende in de gelegenheid binnen 6 weken na heden zich uit te laten omtrent een eventuele veroordeling van de wederpartij in de kosten van het geding in cassatie.
Dit arrest is op 17 januari 1996 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Lubbers, en op die datum in het openbaar uitgesproken.