ECLI:NL:HR:1996:AA1868

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 januari 1996
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30625
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Bellaart
  • Van der Putt-Lauwers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 42 lid 2 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 42 lid 3 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling autokostenforfait bij privégebruik auto in inkomstenbelastingzaak

Belanghebbende, een zelfstandig homeopathisch arts, werd voor het jaar 1990 aangeslagen voor inkomstenbelasting op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 119.793,--. Zijn partner, werkzaam als doktersassistente, ontving een arbeidsbeloning van ƒ 12.315,--. Tot het ondernemingsvermogen behoorde een personenauto die zowel privé als voor de praktijk werd gebruikt.

Het geschil betrof de vraag of het privégebruik van de auto gelijkelijk aan belanghebbende en zijn partner kon worden toegerekend, wat zou leiden tot een beperking van de bijtelling tot 10% van de catalogusprijs voor belanghebbende en een toerekening van 10% van de catalogusprijs als arbeidsinkomen aan zijn partner. De Inspecteur stelde dat de bijtelling volledig bij belanghebbende moest worden belast.

Het Hof oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de auto feitelijk aan zijn partner ter beschikking stond voor haar werkzaamheden, en dat het gebruik verband hield met hun samenwoningsrelatie. Hierdoor ontbrak het feitelijke aanknopingspunt voor een verdeling van het autokostenforfait. De Hoge Raad vond deze oordelen feitelijk en niet onbegrijpelijk en verwierp het cassatieberoep.

De Hoge Raad zag geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten en sprak het arrest uit op 24 januari 1996.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de bijtelling voor het privégebruik van de auto wordt volledig toegerekend aan belanghebbende.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 19 augustus 1994 betreffende de hem voor het jaar 1990 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1990 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 119.793,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht aan maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende is homeopatisch arts. Hij oefent zijn beroep uit als zelfstandig arts en geniet als zodanig winst uit onderneming. Belanghebbendes levenspartner is als doktersassistente werkzaam in de praktijk. In het onderhavige jaar genoot zij voor deze werkzaamheden een arbeidsbeloning ter grootte van ƒ 12.315,--. Tot belanghebbendes ondernemingsvermogen behoorde een personenauto, die voor privé- en praktijk-doeleinden werd gebruikt.
3.2. Voor het Hof was in geschil of het privé-gebruik van de auto gelijkelijk aan belanghebbende en zijn partner moet worden toegerekend en zulks met zich zou brengen dat de bijtelling op grond van artikel 42, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) bij belanghebbende zelf kan worden beperkt tot 10% van de catalogusprijs, terwijl aan zijn partner op grond van artikel 42, lid 3, van de Wet inkomsten uit arbeid ter grootte van 10% van de catalogusprijs zouden moeten worden toegerekend, zoals belanghebbende voorstaat, dan wel bijtelling op grond van artikel 42, lid 2, van de Wet in zijn geheel bij belanghebbende zelf in aanmerking moet worden genomen, zoals de Inspecteur verdedigt. 3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto feitelijk in verband met het verrichten van haar arbeid aan zijn partner ter beschikking is gesteld. Het Hof heeft daarbij acht geslagen op de door belanghebbendes partner in de praktijk verrichte werkzaamheden, waaruit naar 's Hofs oordeel blijkt dat zij geen werkzaamheden verricht, waarvoor zij de auto zou moeten gebruiken. Het Hof heeft voorts aannemelijk geacht dat de auto aan de partner ter beschikking is gesteld in verband met de samenwoningsrelatie. Deze oordelen zijn feitelijk en niet onbegrijpelijk zodat zij in cassatie niet met vrucht kunnen worden bestreden. Uitgaande van deze oordelen heeft het Hof terecht geoordeeld dat voor een verdeling van het autokostenforfait over belanghebbende en zijn partner het feitelijke aanknopingspunt ontbreekt. De middelen kunnen derhalve niet tot cassatie leiden.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 24 januari 1996 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Bellaart en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Lubbers, en op die datum in het openbaar uitgesproken.