ECLI:NL:HR:1996:AA1868
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Bellaart
- Van der Putt-Lauwers
- Rechtspraak.nl
Verdeling autokostenforfait bij privégebruik auto in inkomstenbelastingzaak
Belanghebbende, een zelfstandig homeopathisch arts, werd voor het jaar 1990 aangeslagen voor inkomstenbelasting op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 119.793,--. Zijn partner, werkzaam als doktersassistente, ontving een arbeidsbeloning van ƒ 12.315,--. Tot het ondernemingsvermogen behoorde een personenauto die zowel privé als voor de praktijk werd gebruikt.
Het geschil betrof de vraag of het privégebruik van de auto gelijkelijk aan belanghebbende en zijn partner kon worden toegerekend, wat zou leiden tot een beperking van de bijtelling tot 10% van de catalogusprijs voor belanghebbende en een toerekening van 10% van de catalogusprijs als arbeidsinkomen aan zijn partner. De Inspecteur stelde dat de bijtelling volledig bij belanghebbende moest worden belast.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de auto feitelijk aan zijn partner ter beschikking stond voor haar werkzaamheden, en dat het gebruik verband hield met hun samenwoningsrelatie. Hierdoor ontbrak het feitelijke aanknopingspunt voor een verdeling van het autokostenforfait. De Hoge Raad vond deze oordelen feitelijk en niet onbegrijpelijk en verwierp het cassatieberoep.
De Hoge Raad zag geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten en sprak het arrest uit op 24 januari 1996.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de bijtelling voor het privégebruik van de auto wordt volledig toegerekend aan belanghebbende.