ECLI:NL:HR:1996:AA1869
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Urlings
- raadsheer Zuurmond
- raadsheer Herrmann
- raadsheer Fleers
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over loonbelastingvrijstelling voor uitkeringen ter dekking van kosten wegens invaliditeit
De zaak betreft een loonbelastingnaheffingsaanslag opgelegd aan een stichting wegens uitkeringen aan een werknemer die kosten maakte voor zijn invalide kind. De werknemer had een tweede auto aangeschaft die duurder was dan normaal vanwege het vervoer van een rolstoel en had de tuin laten ophogen. De Inspecteur rekende de uitkeringen tot het loon en legde naheffing op.
Het Hof Amsterdam vernietigde de aanslag deels en oordeelde dat de uitkeringen niet tot het loon behoorden op grond van de Wet op de loonbelasting 1964 en de Uitvoeringsbeschikking loonbelasting 1972. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad overweegt dat het Hof een onjuiste maatstaf hanteerde bij de beoordeling of de autokosten onder de vrijstelling vallen. De kosten moeten worden beoordeeld aan de hand van het normale bestedingspatroon van vergelijkbare personen zonder invaliditeit. De uitgaven voor het ophogen van de tuin kunnen niet als kosten ter zake van invaliditeit worden aangemerkt omdat zij tot een waardevermeerdering van de woning leiden.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling en beslissing met inachtneming van de juiste maatstaven. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor herbeoordeling met toepassing van de juiste maatstaven.