ECLI:NL:HR:1996:AA1873

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 januari 1996
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30585
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • raadsheer Urlings
  • raadsheer Herrmann
  • raadsheer C.H.M. Jansen
  • raadsheer Fleers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof inzake zuiveringsheffing en verwijst zaak terug

Belanghebbende, eigenaar van een pand met zes kamers aan de A-straat 1 te Q, ontving een aanslag zuiveringsheffing voor 1989. Na bezwaar handhaafden Gedeputeerde Staten de aanslag, maar het Hof vernietigde deze uitspraak en de aanslag.

De Hoge Raad oordeelt dat het achterwege laten van aanslagen in voorgaande jaren niet automatisch een bewuste gedragslijn van de provincie vormt waarop belanghebbende gerechtvaardigd vertrouwen kan baseren. Het Hof had dit oordeel ten onrechte aangenomen.

Verder stelt de Hoge Raad vast dat het Hof bepaalde door belanghebbende aangevoerde stellingen niet heeft behandeld en dat nader feitelijk onderzoek nodig is. Daarom wordt het geding terugverwezen naar het Hof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling.

De Hoge Raad wijst de proceskosten in cassatie af en vernietigt het arrest van het Hof, behoudens het griffierecht, en bepaalt dat het Hof de zaak in meervoudige kamer opnieuw moet behandelen met inachtneming van dit arrest.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 1 juli 1994 betreffende na te melden aan de Stichting X te Z voor het jaar 1989 opgelegde aanslag in de zuiveringsheffing van de provincie Utrecht.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het perceel a-straat 1 te Q een aanslag in de zuiveringsheffing van de provincie Utrecht voor het jaar 1989 opgelegd, ten bedrage van f 181,08, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht (hierna: Gedeputeerde Staten) is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van Gedeputeerde Staten in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak, alsmede de aanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Gedeputeerde Staten hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend. Gedeputeerde Staten hebben het beroep doen toelichten door mr. R.L.H. IJzerman, advocaat te 's-Gravenhage.
3. Beoordeling van de klachten 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende is eigenaar of althans zakelijk gerechtigde van het pand a-straat 1 te Q. Het pand bevat zes kamers, die afzonderlijk worden verhuurd. In 1989 werd het pand bewoond door zes personen. De bewoners van het pand hebben het gezamenlijke gebruik van drie keukens, twee douches en twee toiletten. Aan belanghebbende is voor dit pand op 28 januari 1992 een aangiftebiljet zuiveringsheffing 1989 toegezonden met als uiterste inzenddatum 29 februari 1992. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat - nu de aanslag kennelijk is gebaseerd op jurisprudentie die reeds in 1984 bekend was en belanghebbende al vanaf 1983 eigenaar/verhuurder is terwijl sedertdien in de wijze van verhuur geen verandering is gekomen - het gedurende ongeveer 6½ jaar niet opleggen van een aanslag zuiveringsheffing door de Provincie bij belanghebbende de indruk heeft kunnen wekken dat deze gedragslijn berustte op een bewuste standpuntbepaling en voorts dat belanghebbende daaruit het in rechte te beschermen vertrouwen heeft kunnen putten dat haar ook voor het jaar 1989 geen aanslag zou worden opgelegd. 3.3. Eerstvermeld oordeel wordt door de Provincie terecht als onjuist bestreden: het gedurende een aantal jaren achterwege laten van een aanslag zuiveringsheffing vormt niet een gedraging van de Provincie die de indruk heeft kunnen wekken dat die gedragslijn berustte op een bewuste standpuntbepaling, ook niet indien de in de onderdelen 5.1 en 5.3 van de uitspraak van het Hof vermelde omstandigheden daarbij in aanmerking worden genomen. 3.4. Uit het vorenoverwogene volgt dat de uitspraak van het Hof niet in stand kan blijven. De door belanghebbende voor het Hof aangevoerde stellingen die door het Hof nog niet zijn behandeld, dienen alsnog aan de orde te komen. Aangezien hiervoor mede een onderzoek van feitelijke aard nodig is, dient verwijzing te volgen.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht, wat de procedure in cassatie betreft, geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in Meervoudige Kamer, met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is op 10 januari 1996 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Herrmann, C.H.M. Jansen en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Loen, en op die datum in het openbaar uitgesproken.