ECLI:NL:HR:1996:AA1875
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- Bellaart
- C.H.M. Jansen
- Van der Putt-Lauwers
- Rechtspraak.nl
Beoordeling navorderingsaanslag inkomstenbelasting en bewijslast inzake tijdige aangifte
Belanghebbende was aanvankelijk voor het jaar 1987 aangeslagen op een belastbaar inkomen van ƒ 100.000 met een verhoging wegens niet tijdige aangifte. Vervolgens werd een navorderingsaanslag opgelegd met een belastbaar inkomen van ƒ 125.470, waarbij de eerder opgelegde verhoging werd gehandhaafd.
Belanghebbende ging in beroep bij het Gerechtshof Amsterdam, dat de navorderingsaanslag handhaafde en het beroep tegen de verhoging wegens niet tijdige aangifte niet-ontvankelijk verklaarde. Tegen deze uitspraak stelde belanghebbende cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad oordeelt dat het aan belanghebbende is om te bewijzen dat de aangifte daadwerkelijk tijdig bij de Inspecteur is ingediend. Het hof heeft de bewijslast niet onredelijk verdeeld en het oordeel dat belanghebbende niet aan deze bewijslast heeft voldaan is feitelijk en niet onbegrijpelijk. Het cassatieberoep faalt en wordt verworpen.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding tot het opleggen van proceskosten aan partijen en spreekt het arrest uit in aanwezigheid van de raadsheren en de waarnemend griffier.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de navorderingsaanslag wordt gehandhaafd.