Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:1996:AA1875

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 januari 1996
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30527
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Van der Linde
  • Bellaart
  • C.H.M. Jansen
  • Van der Putt-Lauwers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 101a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzakenAlgemene wet inzake rijksbelastingen art. 8Algemene wet inzake rijksbelastingen art. 9Algemene wet inzake rijksbelastingen art. 16
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling navorderingsaanslag inkomstenbelasting en bewijslast inzake tijdige aangifte

Belanghebbende was aanvankelijk voor het jaar 1987 aangeslagen op een belastbaar inkomen van ƒ 100.000 met een verhoging wegens niet tijdige aangifte. Vervolgens werd een navorderingsaanslag opgelegd met een belastbaar inkomen van ƒ 125.470, waarbij de eerder opgelegde verhoging werd gehandhaafd.

Belanghebbende ging in beroep bij het Gerechtshof Amsterdam, dat de navorderingsaanslag handhaafde en het beroep tegen de verhoging wegens niet tijdige aangifte niet-ontvankelijk verklaarde. Tegen deze uitspraak stelde belanghebbende cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelt dat het aan belanghebbende is om te bewijzen dat de aangifte daadwerkelijk tijdig bij de Inspecteur is ingediend. Het hof heeft de bewijslast niet onredelijk verdeeld en het oordeel dat belanghebbende niet aan deze bewijslast heeft voldaan is feitelijk en niet onbegrijpelijk. Het cassatieberoep faalt en wordt verworpen.

De Hoge Raad ziet geen aanleiding tot het opleggen van proceskosten aan partijen en spreekt het arrest uit in aanwezigheid van de raadsheren en de waarnemend griffier.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de navorderingsaanslag wordt gehandhaafd.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 28 juni 1994 betreffende na te melden navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting.
1. Aanslag en geding voor het Hof Aan belanghebbende, die aanvankelijk in de inkomstenbelasting voor het jaar 1987 was aangeslagen naar een belastbaar inkomen van ƒ 100.000,--, met een verhoging wegens niet tijdige aangifte ten bedrage van ƒ 1.000,--, is over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 125.470,--, met in achtneming van de bij de primitieve aanslag opgelegde verhoging. Belanghebbende is tegen die aanslag in beroep gekomen bij het Hof, dat de navorderingsaanslag heeft gehandhaafd en het beroep tegen de verhoging wegens niet tijdige aangifte niet ontvankelijk heeft verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van de middelen van cassatie Het Hof heeft aangenomen dat het op de weg van belanghebbende ligt om te bewijzen dat de aangifte daadwerkelijk bij de Inspecteur is ingediend. Aldus heeft het Hof de bewijslast niet onredelijk verdeeld. 's Hofs oordeel dat belanghebbende niet is geslaagd in het op hem rustende bewijs is feitelijk en niet onbegrijpelijk, zodat het in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden. Voor zover de middelen zich tegen dit oordeel richten, falen zij derhalve. Voor het overige kunnen de middelen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu in zoverre de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 24 januari 1996 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, C.H.M. Jansen en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Lubbers, en op die datum in het openbaar uitgesproken.