ECLI:NL:HR:1996:AA1876

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 januari 1996
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30531
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Van der Linde
  • Bellaart
  • C.H.M. Jansen
  • Van der Putt-Lauwers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 101a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzakenAlgemene wet inzake rijksbelastingen Art. 8Algemene wet inzake rijksbelastingen Art. 9Algemene wet inzake rijksbelastingen Art. 16
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt handhaving navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1989

Belanghebbende was voor het jaar 1989 oorspronkelijk aangeslagen op een belastbaar inkomen van ƒ 50.000,-- met een verhoging wegens niet tijdige aangifte van ƒ 605,--. Vervolgens werd een navorderingsaanslag opgelegd met een belastbaar inkomen van ƒ 70.940,--, waarbij de eerder opgelegde verhoging werd gehandhaafd.

Belanghebbende kwam hiertegen in beroep bij het Gerechtshof Amsterdam, dat de navorderingsaanslag bevestigde en het beroep tegen de verhoging wegens niet tijdige aangifte niet ontvankelijk verklaarde. Tegen dit oordeel stelde belanghebbende cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelt dat de middelen van cassatie niet tot vernietiging kunnen leiden en dat geen nadere motivering nodig is omdat de middelen geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten. Tevens worden geen proceskosten aan belanghebbende toegekend.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee het oordeel van het Hof.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de navorderingsaanslag wordt gehandhaafd.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 28 juni 1994 betreffende na te melden navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting.
1. Aanslag en geding voor het Hof Aan belanghebbende, die aanvankelijk in de inkomstenbelasting voor het jaar 1989 was aangeslagen naar een belastbaar inkomen van ƒ 50.000,--, met een verhoging wegens niet tijdige aangifte ten bedrage van ƒ 605,--, is over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 70.940,--, met inachtneming van de bij de primitieve aanslag opgelegde verhoging. Belanghebbende is tegen die aanslag en die verhoging in beroep gekomen bij het Hof, dat de navorderingsaanslag heeft gehandhaafd en het beroep tegen de verhoging wegens niet tijdige aangifte niet ontvankelijk heeft verklaard.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij twee middelen van cassatie voorgesteld. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van de middelen De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 24 januari 1996 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, C.H.M. Jansen en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Lubbers, en op die datum in het openbaar uitgesproken.