ECLI:NL:HR:1996:AA1879
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- Bellaart
- C.H.M. Jansen
- Van der Putt-Lauwers
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voorgenomen aandelenvervangende rechtshandelingen onder artikel 8b Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting
Belanghebbende, een besloten vennootschap met een aandelenkapitaal van 46.000 gulden, verzocht de Inspecteur om voorgenomen rechtshandelingen te erkennen die betrekking hadden op de vervreemding van aandelen door aandeelhouders aan een andere vennootschap, D B.V., tegen uitgifte van eigen aandelen. De Inspecteur wees dit verzoek af, waarna belanghebbende in beroep ging bij het Gerechtshof Amsterdam. Het Hof vernietigde de afwijzing en wees het verzoek toe.
De Staatssecretaris van Financiën stelde vervolgens cassatieberoep in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht ook de in een pleitnota aangevoerde voorgenomen rechtshandelingen in de beoordeling had betrokken, omdat deze niet wezenlijk verschilden van de oorspronkelijke verzoeken en het Hof om proceseconomische redenen afzag van aanvullende verzoekschriften.
Verder bevestigde de Hoge Raad dat de faciliteit van artikel 40a Wet inkomstenbelasting ook van toepassing is wanneer aandelen niet rechtstreeks, maar via een tussenhoudstermaatschappij worden vervreemd, mits het uiteindelijke resultaat is dat alle aandelen in belanghebbende in handen komen van D B.V. De stelling van de Inspecteur dat dit niet mogelijk zou zijn vanwege de eis dat alle aandelen in D door natuurlijke personen moeten worden gehouden, werd verworpen als strijdig met de bedoeling van de wetgever.
De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en bepaalde dat geen proceskosten worden toegewezen. Tevens werd een recht van 300 gulden geheven ter zake van het beroep.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de uitspraak van het Hof dat de voorgenomen aandelenvervangende rechtshandelingen onder artikel 8b Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 vallen.