ECLI:NL:HR:1996:AA1880

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 januari 1996
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30746
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • raadsheer Urlings
  • raadsheer Zuurmond
  • raadsheer Herrmann
  • raadsheer Fleers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing verzoek uitstel mondelinge behandeling belastingaanslag 1989

Belanghebbende was het niet eens met de voor het jaar 1989 opgelegde aanslag inkomstenbelasting van ƒ 37.147. Na bezwaar en bevestiging door de Inspecteur, ging belanghebbende in beroep bij het Hof Amsterdam. Het Hof bevestigde de aanslag en wees het beroep af.

Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad. Een belangrijk punt was het verzoek van de gemachtigde van belanghebbende om uitstel van de mondelinge behandeling op 8 april 1994 vanwege een volle agenda. Dit verzoek werd door de griffie telefonisch afgewezen, waarna belanghebbende en zijn gemachtigde niet verschenen bij de zitting. De Inspecteur was wel aanwezig en lichtte zijn standpunt toe.

De Hoge Raad oordeelde dat het Hof niet verplicht was het verzoek om uitstel te honoreren, noch de afwijzing daarvan nader te motiveren in het arrest. Er was geen sprake van schending van het recht op verdediging of de eisen van een goede procesorde. Het cassatieberoep werd verworpen en er werden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het Hof bevestigd.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 14 september 1994 betreffende de hem voor het jaar 1989 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1989 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 37.147, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klacht 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Het Hof heeft de gemachtigde van belanghebbende opgeroepen voor een mondelinge behandeling van de zaak op 8 april 1994. De gemachtigde heeft hierop gereageerd bij brief van 7 maart 1994, luidend (na vermelding van de naam van belanghebbende en het nummer van de zaak) als volgt:
"Verzoeken tot aanhouding
Geachte mijnheer de Voorzitter, Ivm alreeds volle agenda is het kantoor onmogelijk op vrijdag 8-4-94 te 14.50 uur te verschijnen. U wordt vriendelijk verzocht nieuwe (latere) datum te willen vaststellen, hoogachtend,"
Van de zijde van de griffie is aan de gemachtigde op 17 maart 1994 telefonisch medegedeeld dat uitstel niet zal worden verleend. Op deze mededeling heeft de gemachtigde niet nader gereageerd. Het Hof heeft daarna de zaak behandeld ter zitting van 8 april 1994. Belanghebbende en zijn gemachtigde zijn aldaar niet verschenen. De Inspecteur is wel verschenen en heeft zijn standpunt nog nader toegelicht. 3.2. De klacht dat door deze gang van zaken in strijd met de eisen van een goede rechtspleging aan belanghebbende zijn recht op verdediging is ontnomen, faalt. Immers, het Hof behoefde, gelet op de motivering van het verzoek om uitstel en in aanmerking genomen de omstandigheid dat de oproeping voor de mondelinge behandeling meer dan een maand tevoren was verzonden, dit verzoek niet in te willigen en was ook niet gehouden de afwijzing van dat verzoek in de uitspraak nader te motiveren.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 10 januari 1996 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Herrmann en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Loen, en op die datum in het openbaar uitgesproken.