ECLI:NL:HR:1996:AA1899
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- Urlings
- Herrmann
- C.H.M. Jansen
- Fleers
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt belastingaanslag 1990 ondanks beroepskosten film- en theaterbezoek
Belanghebbende, werkzaam als docente drama en daarnaast actief als actrice, regisseuse en jury-lid, werd voor het jaar 1990 aangeslagen voor inkomstenbelasting op een belastbaar inkomen van ƒ 39.151,--. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende voerde aan dat de kosten van ƒ 2.123,-- voor 46 bezoeken aan voorstellingen en concerten beroepsmatig noodzakelijk waren.
Het Hof oordeelde dat deze bezoeken, hoewel mede met het oog op de beroepsuitoefening, niet direct noodzakelijk waren als taakvervulling, en stelde deze gelijk aan excursies of studiereizen in de zin van artikel 36, lid 1, letter j, Wet op de inkomstenbelasting 1964. De Hoge Raad bevestigt deze uitleg en verwerpt het cassatieberoep.
De Hoge Raad acht geen gronden aanwezig voor een veroordeling in proceskosten en stelt het arrest vast op 6 maart 1996. Hiermee blijft de aanslag onverminderd van kracht en worden de beroepskosten niet als aftrekpost erkend.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de aanslag inkomstenbelasting 1990 wordt gehandhaafd zonder aftrek van de kosten voor film-, theater- en concertbezoek.