ECLI:NL:HR:1996:AA1901

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 augustus 1996
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30888
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Bellaart
  • De Moor
  • Van der Putt-Lauwers
  • Van Brunschot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 EEG-VerdragArt. 95 EEG-VerdragWet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid belastingheffing personenauto's en motorrijwielen in relatie tot EU-verdrag

Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen de belasting van personenauto's en motorrijwielen over januari 1993, nadat hij een bedrag van ƒ 11.169,-- had voldaan. De Inspecteur wees het bezwaar af en het Hof Arnhem bevestigde deze beslissing. Belanghebbende stelde dat de belastingheffing in strijd was met artikel 30 of Pro 95 van het EEG-Verdrag.

Het Hof oordeelde dat vanwege de aanwezigheid van een binnenlandse productie van personenauto's, hoe gering ook, artikel 95 van Pro het EEG-Verdrag van toepassing is in plaats van artikel 30. Het Hof vond dat de belastingheffing niet in strijd is met artikel 95. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep af.

De Hoge Raad overweegt dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat de binnenlandse productie niet zo gering is dat deze verwaarloosd kan worden. Ook is geen reden voor een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie, omdat belanghebbende de auto niet heeft uitgevoerd en dus geen belang heeft bij toetsing van een teruggaafregeling bij uitvoer.

De Hoge Raad acht geen gronden aanwezig voor proceskostenveroordeling en stelt het arrest vast op 23 augustus 1996.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het Hof Arnhem bevestigd.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 15 november 1994 betreffende het bedrag dat namens hem als belasting van personenauto's en motorrijwielen op aangifte is voldaan over het tijdvak januari 1993.
1. Aangifte, bezwaar en geding voor het Hof Namens belanghebbende heeft A B.V. te R op de voet van het bepaalde in artikel 7 van Pro de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet) over voormeld tijdvak op aangifte voldaan een bedrag van ƒ 11.169,-- aan belasting van personenauto's en motorrijwielen. Belanghebbende heeft tegen dit bedrag bezwaar gemaakt bij de Inspecteur en verzocht om teruggaaf van voormeld bedrag, waarna de Inspecteur bij uitspraak heeft besloten geen teruggaaf te verlenen. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. Belanghebbende - op wiens naam op 29 januari 1993 een personenauto van het merk Audi in het register van opgegeven kentekens is geregistreerd - heeft zich voor het Hof op het standpunt gesteld dat het op de voet van het bepaalde in de Wet ter zake van de registratie van een personenauto als de onderhavige heffen van belasting in strijd is met het bepaalde in artikel 30 dan Pro wel met het bepaalde in artikel 95 van Pro het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (hierna: het EEG-Verdrag).
3.2. Uitgaande van zijn oordeel dat belanghebbende niet waarmaakt dat de Nederlandse produktie van personenauto's ten opzichte van vergelijkbare concurrerende produkten die vanuit andere Lid-Staten worden ingevoerd, als relatief zó onbelangrijk moet worden beschouwd dat deze te verwaarlozen is, heeft het Hof met betrekking tot een mogelijke schending van artikel 30 van Pro het EEG-Verdrag geoordeeld dat, nu een, weliswaar geringe, concurrerende binnenlandse produktie van personenauto's niet ontbreekt, een eventuele inbreuk op het vrije verkeer van goederen niet dient te worden getoetst aan de algemene bepaling van artikel 30 van Pro het EEG-Verdrag, maar aan de specifieke verbodsbepaling van artikel 95 van Pro dat verdrag. Tegen deze oordelen keert zich middel 1. Anders dan het middel in de eerste plaats beoogt te betogen, is naar - mede gelet op het in het middel genoemde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 7 mei 1987, in zaak 184/85 (Commissie/Italië), Jurisprudentie 1987, blz. 2023 e.v. - redelijkerwijs niet kan worden betwijfeld, het Hof niet uitgegaan van een onjuiste opvatting omtrent hetgeen voor de toepassing van artikel 95 van Pro het EEG-Verdrag heeft te gelden als een uiterst geringe en derhalve te verwaarlozen binnenlandse produktie. Het middel kan voor het overige evenmin tot cassatie leiden, nu het - blijkens het vorenoverwogene - ten onrechte ervan uitgaat dat zich hier het geval voordoet als bedoeld in rechtsoverwegingen 12 en 13 van het arrest van het Hof van de Europese Gemeenschappen van 11 december 1990, in zaak C-47/88 (Commissie/Denemarken), Jurisprudentie 1990, blz. 4530 e.v., te weten waarin een gelijksoortige of concurrerende binnenlandse produktie ontbreekt.
3.3. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de onderwerpelijke belastingheffing niet in strijd is met artikel 95 van Pro het EEG-Verdrag. Middel 2 komt tegen dit oordeel tevergeefs op, aangezien het naar redelijkerwijze niet kan worden betwijfeld, juist is. Er is - anders dan het middel voorstelt - geen grond voor het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Nu belanghebbende de auto niet heeft uitgevoerd, heeft hij er geen belang bij dat het ontbreken van een teruggaafregeling in geval van uitvoer van gebruikte personenauto's wordt getoetst aan regels van gemeenschapsrecht.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 23 augustus 1996 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Bellaart, De Moor, Van der Putt-Lauwers en Van Brunschot, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.