ECLI:NL:HR:1996:AA1906

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 februari 1996
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30915
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Van der Linde
  • Bellaart
  • De Moor
  • Van der Putt-Lauwers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de omzetbelasting 1968 Art. 50 (oud)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt juiste berekeningswijze bijzondere verbruiksbelasting kampeerauto's bij invoer

Belanghebbende, actief in verhuur en verkoop van kampeerauto's, kreeg een naheffingsaanslag opgelegd voor de bijzondere verbruiksbelasting van personenauto's (BVP) over het derde kwartaal van 1992. Deze aanslag werd gehandhaafd na bezwaar, maar het Gerechtshof Amsterdam vernietigde de aanslag en de uitspraak van de Inspecteur.

De Staatssecretaris van Financiën stelde cassatie in tegen deze uitspraak. De kern van het geschil betrof de wijze van berekening van de maatstaf van heffing van de BVP bij invoer van kampeerauto's. Belanghebbende had de belasting berekend over de catalogusprijs van een vergelijkbare bestelauto zonder verhoging met de BVP zelf, gesteund op de Leidraad bijzondere verbruiksbelasting van personenauto's.

Het Hof oordeelde dat uit de Leidraad niet blijkt dat de maatstaf van heffing verhoogd moet worden met de BVP, en dat belanghebbende redelijkerwijs mocht vertrouwen op deze uitleg. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep van de Staatssecretaris. Daarnaast werd de Staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt verworpen en de naheffingsaanslag wordt vernietigd.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 16 november 1994 betreffende de aan X te Z opgelegde naheffingsaanslag in de bijzondere verbruiksbelasting van personenauto's.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak derde kwartaal 1992 een naheffingsaanslag in de bijzondere verbruiksbelasting van personenauto's opgelegd ten bedrage van ƒ 2.128,--, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak en de naheffingsaanslag heeft vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:
3.1.1. Belanghebbende houdt zich bezig met het verhuren en verkopen van kampeerauto's.
3.1.2. In 1992 is belanghebbende begonnen met het invoeren van kampeerauto's uit Italië. Aan belanghebbende is met ingang van 1 april 1992 vergunning verleend om de bijzondere verbruiksbelasting van personenauto's (hierna: BVP) die belanghebbende ter zake van de invoer uit Italië verschuldigd wordt, achteraf op aangifte te voldoen.
3.1.3. Op 6 juli 1992 heeft belanghebbende een kampeerauto ingevoerd van het merk Ford, type 120 met benzinemotor. Op 20 oktober 1992 heeft belanghebbende hiervan aangifte gedaan.
3.1.4. Belanghebbende heeft de ter zake van de invoer van de kampeerauto verschuldigde BVP berekend over de catalogusprijs (exclusief omzetbelasting) van een vergelijkbare bestelauto van een gesloten type. Ter staving van zijn standpunt heeft hij zich beroepen op de Leidraad bijzondere verbruiksbelasting van personenauto's (Beschikking van de Staatssecretaris van Financiën van 11 januari 1988, no VB 87/810, hierna: de Leidraad), in het bijzonder op het bepaalde in de paragrafen 10.4.3. en 10.4.5. Die bepalingen luiden, voor zover in cassatie van belang, als volgt:
"§ 10.4.3 (..) Goedgekeurd wordt dat voor de bepaling van de maatstaf van heffing voor kampeerauto's wordt uitgegaan van de catalogusprijs van de voor de ombouw gebezigde bestelauto dan wel een vergelijkbare bestelauto van het gesloten type. (..)
§ 10.4.5 Bij invoer van kampeerauto's dient de maatstaf van heffing op dezelfde wijze te worden bepaald als in § 10.4.3 is aangegeven.".
De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbendes berekening onjuist is, aangezien de catalogusprijs van de bestelauto eerst dient te worden vermeerderd met de BVP en het aldus verkregen bedrag de maatstaf van heffing is.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat uit de tekst van de beide paragrafen niet valt op te maken dat ter zake van de invoer van een kampeerauto de maatstaf van heffing dient te worden verhoogd met het bedrag van de bijzondere verbruiksbelasting en dat in de Leidraad nergens een voorbeeld wordt gegeven hoe de BVP in de situatie van belanghebbende, waarin een nieuwe kampeerauto wordt ingevoerd, dient te worden berekend, zodat belanghebbende redelijkerwijze de desbetreffende paragrafen kon opvatten op de wijze zoals hij heeft gedaan en hij aan die paragrafen het vertrouwen mocht ontlenen dat het door hem berekende belastingbedrag ter zake van de invoer van de in geding zijnde kampeerauto juist was.
3.3. Nu de paragrafen 10.4.3 en 10.4.5 van de Leidraad ter zake van de invoer van kampeerauto's niet inhouden dat de maatstaf van heffing dient te worden verhoogd met het bedrag van BVP, kan het middel, waarin anders wordt betoogd, niet tot cassatie leiden.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht, gelet op de inhoud van het procesdossier, termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met het geding in cassatie redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen als hierna zal worden vermeld.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep en veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 1.420,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is op 7 februari 1996 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Lubbers, en op die datum in het openbaar uitgesproken.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van ƒ 300,--. Met dit bedrag wordt verrekend het bedrag van ƒ 150,-- dat bij het Hof is betaald voor de vervanging van de mondelinge uitspraak, zodat nog resteert te betalen ƒ 150,--.