ECLI:NL:HR:1996:AA1926
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Urlings
- raadsheer Zuurmond
- raadsheer Herrmann
- raadsheer C.H.M. Jansen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bewijslast bij vergoeding woon-werkverkeer in inkomstenbelasting
Belanghebbende, een schoonmaker, kreeg voor het jaar 1991 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op een belastbaar inkomen van ƒ 40.941. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag verminderd tot een belastbaar inkomen van ƒ 39.421. De discussie betrof de aftrek van kosten voor woon-werkverkeer en de vraag of belanghebbende een vergoeding daarvoor had ontvangen.
De inspecteur had de door belanghebbende opgevoerde reiskostenvergoeding niet in aftrek toegelaten, omdat niet was vastgesteld dat geen vergoeding was ontvangen. De Hoge Raad oordeelde dat in het algemeen de belastingplichtige niet de bewijslast draagt dat hij geen vergoeding heeft ontvangen, maar dat de inspecteur gemotiveerd moet stellen en aannemelijk maken dat een vergoeding is ontvangen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën en bevestigde dat de aanslagvermindering door het Hof terecht was. Tevens wees de Hoge Raad het cassatieberoep van belanghebbende af. De Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt beide cassatieberoepen en bevestigt dat de inspecteur de bewijslast draagt voor het aannemelijk maken van een vergoeding woon-werkverkeer.