ECLI:NL:HR:1996:AA1929

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juni 1996
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30807
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • Zuurmond
  • C.H.M. Jansen
  • Fleers
  • Pos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt niet-aftrekbaarheid kosten contactlenzen voor inkomstenbelasting 1991

Belanghebbende, werkzaam als onderofficier en schietbaancommandant bij het Ministerie van Defensie, werd voor het jaar 1991 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd over een belastbaar inkomen van ƒ 50.673. Na bezwaar en beroep bij het Gerechtshof Amsterdam werd de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen de uitspraak van het Hof.

De kern van het geschil betrof de aftrekbaarheid van kosten voor contactlenzen, die belanghebbende in de jaren 1988 tot en met 1991 had gemaakt, waaronder ƒ 520 in 1991. Het Hof oordeelde dat deze kosten een persoonlijk karakter hebben en niet als zakelijke kosten in de zin van artikel 35 Wet Pro op de inkomstenbelasting 1964 kunnen worden aangemerkt, ook niet indien de aanschaf met het oog op de dienstbetrekking plaatsvond.

De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep. Tevens wees de Hoge Raad een veroordeling in proceskosten af. Het arrest werd op 5 juni 1996 in het openbaar uitgesproken door de genoemde raadsheren onder voorzitterschap van vice-president Stoffer.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de aanslag inkomstenbelasting 1991 blijft gehandhaafd.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 12 oktober 1994 betreffende de hem voor het jaar 1991 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1991 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 50.673, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend. Belanghebbende heeft de zaak op 7 februari 1996 doen bepleiten door mr. C. van der Vaart-de Jongh, advocaat te 's-Gravenhage.
3. Beoordeling van de klachten 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende, onderofficier, is werkzaam als schietbaancommandant. Hij genoot in 1991 van het Ministerie van Defensie een brutoloon van ƒ 61.726,--. In de periode van 1988 tot en met 1991 heeft belanghebbende een bedrag van ƒ 4.194,-- aan contactlenzen, inclusief de kosten die betrekking hadden op het onderhoud, uitgegeven. In 1991 beliepen de uitgaven ƒ 520,--. 3.2. 's Hofs oordeel dat de met de contactlenzen gemoeide uitgaven niet zijn aan te merken als kosten gemaakt tot verwerving, inning en behoud van belanghebbendes inkomsten is juist. Kosten voor de enkele aanschaf van een bril of zoals hier, voor contactlenzen, hebben een zodanig persoonlijk karakter dat zij niet als aftrekbare kosten in de zin van artikel 35 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964 kunnen worden aangemerkt. Dit is niet anders indien tot de aanschaf van contactlenzen is besloten met het oog op een behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking. De klachten falen derhalve.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 5 juni 1996 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, C.H.M. Jansen, Fleers en Pos, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Reijngoud, en op die datum in het openbaar uitgesproken.