Art. 108 lid 1 AWDAArt. 11 Regeling vrijstellingen belastingen bij invoerArt. 65 Regeling vrijstellingen belastingen bij invoerArt. 177a AWDAArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging hofuitspraak inzake niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens termijnoverschrijding in belastingzaak
Belanghebbende ontving een uitnodiging tot betaling van omzetbelasting en bijzondere verbruiksbelasting van personenauto's. Hij maakte bezwaar, maar werd door de Inspecteur niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn. Het hof bevestigde deze niet-ontvankelijkheid en wees het beroep van belanghebbende af.
Belanghebbende stelde in cassatie dat hij pas op 25 september 1992 kennis had gekregen van de uitnodiging, omdat de post niet was nagezonden naar zijn adres in Duitsland. Het hof oordeelde dat het risico van het niet tijdig indienen van bezwaar aan belanghebbende zelf te wijten was, omdat hij zijn adres had opgegeven en de post correct was verzonden.
De Hoge Raad stelt dat het risico van onjuiste adressering in principe bij de verzender ligt, tenzij de belastingplichtige niet zorg draagt voor juiste adresgegevens. In deze zaak was er geen verplichting voor belanghebbende om de Inspecteur op de hoogte te houden van zijn adreswijziging voor deze belastingaanslag. Omdat de uitnodiging vermoedelijk niet aan het juiste adres is verzonden en belanghebbende er niet eerder kennis van kon nemen, is het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en verwijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling. Tevens wordt belanghebbende in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de proceskostenveroordeling. Het griffierecht wordt aan belanghebbende vergoed.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor herbeoordeling met inachtneming van dit arrest.
Uitspraak
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (Duitsland) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 19 oktober 1994 betreffende na te melden uitnodiging tot betaling van omzetbelasting en bijzondere verbruiksbelasting van personenauto's.
1. Uitnodiging, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is een uitnodiging, gedagtekend 17 juli 1992, gedaan tot betaling van een bedrag van ƒ 37.730,60 aan omzetbelasting en bijzondere verbruiksbelasting van personenauto's. In het tegen dit bedrag gemaakte bezwaar is belanghebbende bij uitspraak van de Inspecteur wegens overschrijding van de in artikel 108, lid 1, van de Algemene wet inzake douane en accijnzen (tekst 1992; hierna: de AWDA) bedoelde termijn niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende is op 28 juni 1991 door ambtenaren van de post Douane Rotterdam Surveillance hier te lande rijdend aan getroffen in een personenauto voorzien van een Duits kenteken. De Belastingdienst/Directie Douane, district Rotterdam, (hierna: de Directeur) heeft bij brief van 4 december 1991 belanghebbende in de gelegenheid gesteld strafvervolging wegens overtreding van het bepaalde in artikel 11 inPro samenhang met artikel 65 vanPro de Regeling vrijstellingen belastingen bij invoer jo. het bepaalde in artikel 177a van de Algemene wet inzake de douane en de accijnzen te voorkomen door betaling van een bedrag van ƒ 3.750,--. Bedoelde brief is gezonden naar het adres b-reep 22, 3192 PJ W. Bij brief van 10 december 1991 heeft belanghebbende aan de Directeur bericht dat hij zich op 2 april 1990 had laten uitschrijven uit het bevolkingsregister van Rotterdam en dat hij met ingang van 3 april 1990 tot op de datum van die brief te Y verbleef. Daarbij heeft hij als zijn adres opgegeven: a- strasse 38, 4240 Y, Duitsland. De Inspecteur heeft de onderhavige uitnodiging tot betaling, gedagtekend 17 juli 1992, naar dit adres gezonden. Belanghebbendes bezwaarschrift is op 24 november 1992 bij de Inspecteur ingekomen.
3.2. Belanghebbende heeft zich voor het Hof - voor zover te dezen van belang - op het standpunt gesteld dat de Inspecteur hem ten onrechte wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk in zijn bezwaar heeft verklaard, nu hij eerst op 25 september 1992 kennis heeft gekregen van onderhavige uitnodiging. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij zijn verblijfplaats te Y inmiddels had verlaten en dat de voor hem bestemde post, in strijd met daartoe gemaakte afspraken, niet was nagezonden.
3.3. Het Hof heeft geoordeeld: dat, nu vaststaat dat het bezwaarschrift van belanghebbende na het verstrijken van de in artikel 108 vanPro de AWDA genoemde termijn van twee maanden, welke termijn van openbare orde is, ter inspectie is ingekomen, belanghebbende terecht niet-ontvankelijk in zijn bezwaar is verklaard; dat de stelling van belanghebbende dat hij pas op 25 september 1992 kennis heeft kunnen krijgen van meerbedoelde uitnodiging en mitsdien de termijn niet eerder dan op die datum is aangevangen, wordt verworpen; dat het immers belanghebbende zelf is geweest, die aan de Inspecteur - waarmee het Hof kennelijk heeft bedoeld: de Directeur - uitdrukkelijk heeft aangegeven op welk adres hij verbleef; dat, nu correcte toezending van de onderwerpelijke uitnodiging door de belastingdienst naar en ontvangst daarvan op het opgegeven adres niet wordt betwist, en de kennisneming van deze uitnodiging op evenvermelde datum het gevolg is van het in strijd met de met de op het adres te Y verblijvende zakenpartner gemaakte afspraken uitblijven van het doorzenden van de voor belanghebbende bestemde post, het aan belanghebbende, althans aan omstandigheden welke zijn gelegen in zijn risicosfeer, te wijten is dat hij niet tijdig in bezwaar is gekomen. Tegen deze oordelen komen de middelen op.
3.4. Bij de beoordeling van de middelen moet worden vooropgesteld dat het risico van een onjuiste adressering in beginsel ligt bij de verzender van het geschrift, in casu de belastingadministratie. Dit is slechts anders ingeval een onjuiste adressering is te wijten aan degene voor wie het geschrift is bestemd, in dit geval de belastingplichtige, zoals zich bijvoorbeeld kan voordoen indien deze niet heeft zorggedragen voor een juiste vermelding in het bevolkingsregister, of niet gedurende een lopende briefwisseling heeft opgegeven dat een adreswijziging heeft plaatsgevonden.
3.5. Een zodanig geval doet zich echter in casu niet voor. Weliswaar had een briefwisseling tussen belanghebbende en de Directeur plaatsgevonden, doch deze had betrekking op de hiervóór in 3.1 aangeduide voorkoming van strafvervolging en niet op de verschuldigdheid van de belasting, waarop de onderhavige uitnodiging tot betaling berust, zodat niet kan worden gezegd dat het op de weg van belanghebbende lag met betrekking tot de onderhavige aangelegenheid de Inspecteur op de hoogte te houden van zijn juiste adres.
3.6. Nu voorts in cassatie veronderstellenderwijs ervan moet worden uitgegaan dat de uitnodiging niet aan belanghebbendes adres is gezonden en deze daarvan niet heeft kennisgenomen vóór 25 september 1992, is 's Hofs oordeel dat het aan belanghebbende is te wijten dat hij te laat in bezwaar is gekomen en hij daarom in dat bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard, niet naar behoren met redenen omkleed. In zoverre treffen de middelen dus doel. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven en verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten De Hoge zal met het oog op een eventuele veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken belanghebbende in de gelegenheid stellen zich uit te laten als hierna bepaald.
5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 300,--, en stelt belanghebbende in de gelegenheid binnen 6 weken na heden zich uit te laten omtrent een eventuele veroordeling van de wederpartij in de kosten van het geding in cassatie. Dit arrest is op 3 januari 1996 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Lubbers, en op die datum in het openbaar uitgesproken.