ECLI:NL:HR:1996:AA1940

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juni 1996
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
31140
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Van der Linde
  • De Moor
  • Van der Putt-Lauwers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 lid 1 letter f Wet op de omzetbelasting 1968Art. 7 lid 1 Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzakenArt. 13.A lid 1 sub g Zesde RichtlijnArt. 13.A lid 1 sub m Zesde Richtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geen omzetbelastingvrijstelling voor natuurlijke persoon als sportinstelling

Belanghebbende, een natuurlijke persoon die een manege exploiteert, kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over de periode van 1 januari 1987 tot en met 31 juli 1991. Na bezwaar en beroep bij het Gerechtshof Arnhem werd de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende stelde in cassatie dat de vrijstelling voor instellingen die gelegenheid tot sportbeoefening geven, niet op hem van toepassing was omdat hij als nietwinstbeogende instelling moest worden beschouwd.

De Hoge Raad verwijst naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen waarin is bepaald dat de omzetbelastingvrijstelling voor sportgerelateerde diensten is voorbehouden aan publiekrechtelijke lichamen of instellingen zonder winstoogmerk, en niet aan natuurlijke personen die als ondernemer optreden. De nationale wetgeving sluit hierbij aan, waardoor de vrijstelling niet geldt voor belanghebbende.

De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het Hof dat de vrijstelling niet van toepassing is op belanghebbende en verwerpt het cassatieberoep. Er worden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de vrijstelling omzetbelasting voor sportinstellingen niet geldt voor natuurlijke personen als ondernemer.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 8 maart 1995 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1987 tot en met 31 juli 1991 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 27.757,--, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. E. Meijer, advocaat te 's-Gravenhage.
3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende exploiteerde in het naheffingstijdvak een manege. De onderneming wordt uitgeoefend in de vorm van een eenmanszaak. Hij organiseert ruiterkampen, geeft rijlessen, stelt rij-accommodatie ter beschikking en verkoopt ruitersportartikelen. Voorts verschaft belanghebbende pension aan paarden en pony's van derden. Het middel strekt ten betoge dat het Hof ten onrechte de vrijstelling van artikel 11, lid 1, letter f, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) niet van toepassing heeft geacht omdat het Hof belanghebbende niet heeft beschouwd als een nietwinstbeogende instelling die zich bezig houdt met het geven van gelegenheid tot sportbeoefening.
3.2. Gelijk het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in zijn arrest van 11 augustus 1995, nr. C-453/93, FED 1995/703, heeft beslist, kan een ondernemer die een natuurlijke persoon is niet in aanmerking komen voor de vrijstelling krachtens het bepaalde in artikel 13.A, lid 1, sub g, van de Zesde Richtlijn, dat deze vrijstelling uitdrukkelijk voorbehoudt aan publiekrechtelijke lichamen of andere organisaties die door de betrokken Lid-Staat als instellingen van sociale aard worden erkend. In artikel 13.A, lid 1, sub m, van de Zesde Richtlijn is een vrijstelling voorzien voor sommige diensten die nauw samenhangen met de beoefening van sport of met lichamelijke opvoeding en die door instellingen zonder winstoogmerk worden verleend aan personen die aan sport of lichamelijke opvoeding doen. Gezien het hiervoor genoemd arrest kan er redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel bestaan dat ook deze vrijstelling is voorbehouden aan ondernemers die zijn aan te merken als instellingen en dat een ondernemer die een natuurlijk persoon is voor die vrijstelling niet in aanmerking kan komen. Derhalve valt een ondernemer als belanghebbende, die een natuurlijk persoon is, niet onder de personele werkingssfeer van artikel 13.A, lid 1, sub m, van de Zesde Richtlijn. In artikel 11, lid 1, letter f, van de Wet juncto artikel 7, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 en bijlage B, sub b, nr. 21, bij dat besluit, is een vrijstelling voorzien voor instellingen die zich bezighouden met het geven van gelegenheid tot sportbeoefening, alleen voor deze prestatie, indien zij geen winst beogen. Nu noch de tekst noch de geschiedenis van deze bepaling aanleiding geven tot een andersluidend oordeel, moet, gelet op laatstgenoemde richtlijnbepaling, worden aangenomen dat deze vrijstelling is voorbehouden aan ondernemers die als instelling worden aangemerkt, en derhalve niet van toepassing is op een ondernemer natuurlijk persoon als belanghebbende. 's Hofs oordeel dat in het onderhavige geval bedoelde vrijstelling niet van toepassing is, is derhalve, wat ook zij van de daartoe gebezigde gronden - juist, zodat het tegen dat oordeel gerichte middel faalt. 4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 12 juni 1996 vastgesteld door de raadsheer Van der Linde als voorzitter en de raadsheren De Moor en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Loen, en op die datum in het openbaar uitgesproken.