ECLI:NL:HR:1996:AA1954

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 maart 1996
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
31110
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • raadsheer Urlings
  • raadsheer Pos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 60 AWRArt. 6:11 AwbArt. 283b lid 14 GemeentewetArt. 26 AWRArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beschikking over machtiging tot indiening beroepschrift parkeerbelasting

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting van de Gemeente Amsterdam opgelegd, met bijkomende kosten. Na bezwaar werd de aanslag gehandhaafd door de Directeur van de dienst parkeerbeheer. Belanghebbende diende een verzoek in bij het Hof om alsnog binnen een termijn beroep in te dienen, maar dit verzoek werd afgewezen op grond van artikel 60 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).

De Hoge Raad oordeelt dat sinds 1 januari 1994 in gevallen waarin de beroepstermijn na die datum eindigt, niet artikel 60 AWR Pro maar artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is. De Voorzitter van het Hof heeft ten onrechte artikel 60 AWR Pro toegepast. Hierdoor is belanghebbende ontvankelijk in zijn cassatieberoep.

De Hoge Raad vernietigt de beschikking, verwijst de zaak terug naar het Hof voor behandeling volgens artikel 6:11 Awb Pro en gelast dat de Gemeente Amsterdam het betaalde griffierecht aan belanghebbende vergoedt. Er worden geen proceskosten aan belanghebbende toegekend.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug voor behandeling volgens artikel 6:11 Awb.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (Spanje) tegen de te zijnen aanzien door de Voorzitter van de Eerste Meervoudige Belastingkamer van het Gerechtshof te Amsterdam op de voet van artikel 60 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen gegeven beschikking van 4 januari 1995.
1. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie 1.1. In cassatie moet worden uitgegaan van het volgende. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de Gemeente Amsterdam opgelegd. Bij beschikking als bedoeld in artikel 283b, lid 14, van de Gemeentewet zijn hem in verband daarmee kosten in rekening gebracht. De naheffingsaanslag en de beschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Directeur van de dienst parkeerbeheer van de Gemeente Amsterdam van 23 december 1993 gehandhaafd. Met betrekking tot deze uitspraak is op 18 maart 1994 ter griffie van het Hof een geschrift van belanghebbende ingekomen. Dit geschrift is aangemerkt als een verzoek als bedoeld in artikel 60 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) strekkende tot het verlenen van machtiging om alsnog binnen een daartoe te stellen termijn een beroepschrift tegen voormelde uitspraak in te dienen. Ingevolge artikel 26 AWR Pro (oud) was de beroepstermijn geëindigd op 23 februari 1994. Voornoemde Voorzitter heeft bij beschikking van 4 januari 1995 het verzoek niet gegrond verklaard. Het cassatieberoep van belanghebbende is tegen deze beschikking gericht. 1.2. Tegen een krachtens artikel 60 AWR Pro gegeven beschikking staat geen beroep in cassatie open tenzij - voor zover in deze zaak van belang - dit artikel ten onrechte is toegepast. Dit doet zich hier voor. Immers, sedert 1 januari 1994 is in zaken waarin de wettelijke termijn voor indiening van het beroepschrift na die datum is geëindigd, niet artikel 60 AWR Pro maar artikel 6:11 Awb Pro van toepassing op niet binnen die termijn ontvangen beroepschriften. In dit geval is het geschrift gericht aan het Hof, niet aan de Voorzitter daarvan, en laten de inhoud van het geschrift en de bijlagen daarbij geen andere gevolgtrekking toe dan dat belanghebbende beoogde daarmee beroep in te stellen tegen de uitspraak van genoemde Directeur, zulks onder aanvoering van de stelling dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij met betrekking tot de termijn van indiening van het beroepschrift in verzuim is geweest. Dit een en ander heeft de Voorzitter bij het geven van zijn beschikking van 4 januari 1995 miskend en derhalve is artikel 60 AWR Pro ten onrechte toegepast. 1.3. Het vorenoverwogene brengt mee dat belanghebbende ontvankelijk is in zijn cassatieberoep en dat de aangevallen beschikking dient te worden vernietigd. Na verwijzing dient het Hof de zaak alsnog overeenkomstig artikel 6:11 Awb Pro te behandelen.
2. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
3. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de Voorzitter van de Eerste Meervoudige Belastingkamer van het Hof, verwijst het geding naar het Hof ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest en gelast dat door de Gemeente Amsterdam aan belanghebbende wordt vergoed het door hem ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 75,--.
Dit arrest is op 20 maart 1996 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings en Pos, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Loen, en op die datum in het openbaar uitgesproken.