ECLI:NL:HR:1996:AA1956
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Urlings
- raadsheer C.H.M. Jansen
- Rechtspraak.nl
Geen recht op alleenstaande-ouderaftrek bij gescheiden huishouding met studerende dochter
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1992 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 81.099,-- met toepassing van een belastingvrije som. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen de uitspraak van het Hof.
De Hoge Raad stelde vast dat belanghebbende ongehuwd is en voogd van zijn studerende dochter die in een andere plaats woont en ingeschreven staat. De dochter reist slechts incidenteel naar het woonadres van belanghebbende en voert een eigen huishouding. Hierdoor is volgens de Hoge Raad sprake van twee afzonderlijke huishoudingen.
Op grond hiervan oordeelde de Hoge Raad dat belanghebbende geen recht heeft op de alleenstaande-ouderaftrek zoals bedoeld in artikel 55, lid 5, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. De klachten die een andere uitleg van de wetgever aannamen, werden verworpen. De Hoge Raad wees proceskostenveroordeling af en verwierp het cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; belanghebbende heeft geen recht op alleenstaande-ouderaftrek.