ECLI:NL:HR:1996:AA1971
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- Bellaart
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Rechtspraak.nl
Bevestiging inhouding dividendbelasting bij verhandelbare vastgoedfracties in vastgoedbeleggingsfonds
Het geschil betreft de vraag of het Vastgoedbeleggingsfonds A terecht dividendbelasting heeft ingehouden op een winstuitkering aan een fractiehouder. De fractiehouder ontving een dividend waarop 25% dividendbelasting werd ingehouden. Belanghebbende betwistte deze inhouding en ging in beroep bij het Hof, dat de inhouding bevestigde. De Hoge Raad werd in cassatie gevraagd dit oordeel te toetsen.
De Hoge Raad analyseerde de statutaire voorwaarden voor de overdracht van vastgoedfracties binnen het fonds. Artikel 4 van Pro de voorwaarden bepaalt dat fractiehouders hun fracties eerst aan medefractiehouders moeten aanbieden, maar indien deze niet tot koop overgaan, mag de fractiehouder vrij verkopen aan derden zonder toestemming van alle fractiehouders, mits tegen minimaal de gestelde minimumprijs.
Hieruit volgt dat de vastgoedfracties als vrij verhandelbaar moeten worden beschouwd, wat betekent dat het fonds kwalificeert als een fonds voor gemene rekening. Op grond van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Wet op de dividendbelasting 1965 is het fonds verplicht dividendbelasting in te houden op winstuitkeringen aan fractiehouders.
Het cassatiemiddel dat de overdrachtregeling vergelijkbaar zou zijn met de niet vrij overdraagbare aandelen van een besloten vennootschap faalt, omdat het Hof onbestreden heeft vastgesteld dat geen toestemming van alle fractiehouders vereist is voor overdracht. De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt de rechtmatigheid van de inhouding van dividendbelasting.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat dividendbelasting terecht is ingehouden op de winstuitkering aan fractiehouder.