ECLI:NL:HR:1996:AA1981
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Urlings
- raadsheer Zuurmond
- raadsheer Herrmann
- raadsheer Fleers
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing aftrek buitengewone lasten voor pleegzorgvergoeding
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1990 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd over een belastbaar inkomen van ƒ 55.651,--. Na bezwaar en beroep bij het Hof Amsterdam werd de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende voerde in cassatie aan dat hij recht had op aftrek van buitengewone lasten voor de pleegzorgvergoeding die hij ontving voor pleeg- en opvangkinderen.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat hij voor elk van de acht pleeg- en opvangkinderen afzonderlijk aan het onderhoudsvereiste voldeed zoals bedoeld in artikel 46 lid 1 onder Pro a, 1° van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990. Dit oordeel was feitelijk en niet onbegrijpelijk.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en wees erop dat het feit dat in andere zaken wel aftrek werd verleend, niet relevant is omdat in die zaken het onderhoudsvereiste wel was voldaan. De Hoge Raad wees het beroep af en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.
Het arrest werd op 17 januari 1996 door de Hoge Raad vastgesteld en in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de aanslag inkomstenbelasting wordt gehandhaafd.