ECLI:NL:HR:1996:AA2000
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Urlings
- raadsheer C.H.M. Jansen
- raadsheer Fleers
- raadsheer Pos
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof over aftrek grafrecht bij inkomstenbelasting 1992
Belanghebbende heeft voor het jaar 1992 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen ontvangen op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 131.659,--. In zijn aangifte heeft hij een bedrag van ƒ 12.750,-- opgevoerd als uitgave in verband met het verkrijgen van een grafrecht en daaraan verbonden kosten, waaronder dagkosten van de eerste bijzetting, het oprichten van een grafmonument en onderhoudskosten van de begraafplaats.
De Inspecteur weigerde deze aftrek, en het Hof Arnhem bevestigde deze weigering met het oordeel dat het grafrecht een waardevertegenwoordigend vermogensrecht is en dat niet vaststond dat belanghebbende en zijn echtgenote in het graf zouden worden begraven. De Hoge Raad oordeelt dat het Hof een onjuiste maatstaf heeft toegepast. Het gaat erom of de uitgave rechtstreeks verband houdt met het overlijden, ongeacht het vermogensrechtelijke karakter.
De Hoge Raad stelt dat de overeenkomst waaruit het grafrecht blijkt, met een niet-overdraagbaar recht en geen restitutie bij afzien van begraving, een rechtstreeks verband met het overlijden bevestigt. Wel is onderscheid nodig tussen kosten die betrekking hebben op het grafrecht en die voor het onderhoud van de begraafplaats. Daarom wordt de zaak vernietigd en verwezen naar het Hof 's-Hertogenbosch voor nader onderzoek naar de verdeling van de kosten.
Daarnaast beslist de Hoge Raad over de proceskosten in cassatie en veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën tot vergoeding van het griffierecht en de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof Arnhem en verwijst de zaak voor nader onderzoek naar het Hof 's-Hertogenbosch.