ECLI:NL:HR:1996:AA2000

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juli 1996
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
31287
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • raadsheer Urlings
  • raadsheer C.H.M. Jansen
  • raadsheer Fleers
  • raadsheer Pos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46 lid 1 letter b Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 3:6 BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof over aftrek grafrecht bij inkomstenbelasting 1992

Belanghebbende heeft voor het jaar 1992 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen ontvangen op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 131.659,--. In zijn aangifte heeft hij een bedrag van ƒ 12.750,-- opgevoerd als uitgave in verband met het verkrijgen van een grafrecht en daaraan verbonden kosten, waaronder dagkosten van de eerste bijzetting, het oprichten van een grafmonument en onderhoudskosten van de begraafplaats.

De Inspecteur weigerde deze aftrek, en het Hof Arnhem bevestigde deze weigering met het oordeel dat het grafrecht een waardevertegenwoordigend vermogensrecht is en dat niet vaststond dat belanghebbende en zijn echtgenote in het graf zouden worden begraven. De Hoge Raad oordeelt dat het Hof een onjuiste maatstaf heeft toegepast. Het gaat erom of de uitgave rechtstreeks verband houdt met het overlijden, ongeacht het vermogensrechtelijke karakter.

De Hoge Raad stelt dat de overeenkomst waaruit het grafrecht blijkt, met een niet-overdraagbaar recht en geen restitutie bij afzien van begraving, een rechtstreeks verband met het overlijden bevestigt. Wel is onderscheid nodig tussen kosten die betrekking hebben op het grafrecht en die voor het onderhoud van de begraafplaats. Daarom wordt de zaak vernietigd en verwezen naar het Hof 's-Hertogenbosch voor nader onderzoek naar de verdeling van de kosten.

Daarnaast beslist de Hoge Raad over de proceskosten in cassatie en veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën tot vergoeding van het griffierecht en de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof Arnhem en verwijst de zaak voor nader onderzoek naar het Hof 's-Hertogenbosch.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 28 april 1995 betreffende de hem voor het jaar 1992 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof. Aan belanghebbende is voor het jaar 1992 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 131.659,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende heeft, met een beroep op artikel 46, lid 1, letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, in zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1992 een bedrag van ƒ 12.750,-- opgevoerd als uitgaaf ter zake van overlijden van hemzelf en zijn echtgenote. Dit bedrag is door belanghebbende betaald ter zake van de verkrijging door hem en zijn echtgenote van een grafrecht voor een termijn van dertig jaren, te rekenen vanaf het jaar van eerste bijzetting in het graf, alsmede voor de dagkosten verbonden aan de eerste bijzetting, de kosten verbonden aan het oprichten van een grafmonument en een bijdrage in de kosten van het onderhoud van de begraafplaats in het algemeen en van het onderhavige graf in het bijzonder. De Inspecteur, die niet bestrijdt dat de onderhavige uitgaaf naar aard en omvang normaal is, heeft de door belanghebbende verlangde aftrek geweigerd. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur de onder 3.1 bedoelde uitgaaf terecht niet als een in 1992 op belanghebbende drukkende uitgaaf ter zake van overlijden van hem en zijn echtgenote in aanmerking heeft genomen. Het Hof heeft dit oordeel gegrond op de overwegingen dat het door belanghebbende verkregen recht op gebruik van een graf een waardevertegenwoordigend vermogensrecht als bedoeld in artikel 3:6 van Pro het Burgerlijk Wetboek vormt, alsmede dat in 1992 niet vaststond dat belanghebbende en zijn echtgenote na hun overlijden in het desbetreffende graf zouden worden begraven. 3.3. Aldus heeft het Hof een onjuiste maatstaf aangelegd. Beslissend is immers of de bedoelde uitgaaf rechtstreeks verband houdt met het overlijden van belanghebbende en zijn echtgenote en geen van de beide door het Hof vermelde omstandigheden staat er - noch ieder op zichzelf noch samen - aan in de weg om aan te nemen dat dat het geval is. 3.4. De tot de gedingstukken behorende overeenkomst waarin belanghebbendes rechten zijn vastgelegd laat, nu daarin is bepaald dat het grafrecht niet overdraagbaar is en dat geen restitutie van betaalde gelden volgt indien van begraving wordt afgezien of moet worden afgezien, geen andere gevolgtrekking toe dan dat tussen de aan bedoelde rechten verbonden kosten enerzijds en het overlijden van belanghebbende c.q. diens echtgenote anderzijds een rechtstreeks verband bestaat. De middelen zijn dus in zoverre gegrond. Dit geldt echter niet voor zover de hier bedoelde rechten op het onderhoud van de begraafplaats of het graf betrekking hebben (HR 9 november 1955, no. 12503, BNB 1955/398). 3.5. De uitspraak van het Hof kan derhalve niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een onderzoek omtrent de vraag, welk gedeelte van het bedrag van ƒ 12.750.-- betrekking heeft op het grafrecht, de dagkosten van de eerste bezetting en de kosten van het oprichten van een grafmonument, en welk gedeelte op de onderhoudskosten met betrekking tot de begraafplaats in het algemeen en het onderhavige graf in het bijzonder. 4. Proceskosten De Hoge Raad acht, gelet op de inhoud van het procesdossier, termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het geding in cassatie redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen als hierna zal worden vermeld.
5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 300,- en veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 1.420,--.
Dit arrest is op 8 juli 1996 vastgesteld door de vice-president Stoffer en de raadsheren Urlings, C.H.M. Jansen, Fleers en Pos, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Loen, en op die datum in het openbaar uitgesproken.