ECLI:NL:HR:1996:AA2002
Hoge Raad
- Cassatie
- Van der Linde
- De Moor
- Van der Putt-Lauwers
- Rechtspraak.nl
Beoordeling omzetbelasting naheffingsaanslag bij overdracht supermarktexploitatie
Belanghebbende exploiteerde van 1 januari 1991 tot 23 maart 1992 een supermarkt en had een overeenkomst met B B.V. waarbij zij verplicht was handelsvoorraden grotendeels van B B.V. te betrekken. Na beëindiging van de exploitatie verkocht belanghebbende de inventaris en voorraad aan B B.V. zonder omzetbelasting in rekening te brengen.
B B.V. bracht de omzetbelasting in aftrek en verrekende dit met haar vordering op belanghebbende. Het Gerechtshof Arnhem bevestigde de naheffingsaanslag omzetbelasting van de Inspecteur. Het hof oordeelde dat geen sprake was van een overdracht van de onderneming aan D waarbij B B.V. slechts als intermediair fungeerde, en dat er geen voortzetting van de onderneming in de zin van artikel 31 Wet Pro OB was.
De Hoge Raad stelt dat het oordeel van het hof geen onjuiste rechtsopvatting bevat en dat feitelijke waarderingen in cassatie niet kunnen worden getoetst. Het cassatieberoep wordt verworpen en er worden geen proceskosten aan belanghebbende toegekend.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de naheffingsaanslag omzetbelasting wordt bevestigd.