ECLI:NL:HR:1996:AA2025
Hoge Raad
- Cassatie
- Van der Linde
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing landbouwvrijstelling vergoeding gasleiding op landbouwgrond
Belanghebbende exploiteert een landbouwbedrijf en verleende in 1972 aan N.V. B het recht om gasleidingen op zijn grond aan te leggen. In 1990 werd een zakelijk recht gevestigd voor een tweede gasleiding, waarvoor belanghebbende in 1991 een vergoeding ontving van ƒ 3.192,--. Daarnaast ontving hij diverse schadevergoedingen die tot zijn winst uit onderneming werden gerekend.
Het geschil betrof de vraag of de vergoeding van ƒ 3.192,-- op grond van de landbouwvrijstelling (artikel 8, lid 1, onderdeel b, Wet op de inkomstenbelasting 1964) terecht buiten de winst was gelaten. Het Hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende had aangetoond dat de grond in waarde was gedaald door het zakelijk recht en dat de vergoeding werd betaald voor gebruik buiten het kader van het landbouwbedrijf.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof, aangezien het Hof de feitelijke waardering verrichtte die in cassatie niet kan worden getoetst. Het beroep werd verworpen en er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de aanslag inkomstenbelasting wordt bevestigd.