ECLI:NL:HR:1996:AA2028
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Urlings
- raadsheer Zuurmond
- raadsheer C.H.M. Jansen
- raadsheer Pos
- Rechtspraak.nl
Beoordeling navorderingsaanslagen bij verzuim aangifte schenkingsrecht
In deze zaak gaat het om navorderingsaanslagen in het recht van schenking die aan belanghebbenden zijn opgelegd nadat zij geen aangifte hadden gedaan van een schenking door hun overleden ouder. De inspecteur ontdekte de schenking pas later bij de afwikkeling van een successieaanslag en legde vervolgens navorderingsaanslagen op. Belanghebbenden betoogden dat de inspecteur zijn bevoegdheid had verspeeld door eerst een aangiftebiljet uit te reiken en vervolgens de termijn voor primitieve aanslagen te laten verstrijken.
De Hoge Raad beoordeelde de toepasselijkheid van artikel 52, lid 2, van de Successiewet 1956 en concludeerde dat deze bepaling de inspecteur bevoegd maakt om direct navorderingsaanslagen met een verhoging op te leggen bij verzuim van aangifte, ook zonder voorafgaande primitieve aanslag. De wetsgeschiedenis en de bedoeling van de wetgever ondersteunen deze uitleg, die beoogt belastingontduiking tegen te gaan.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat de uitreiking van een aangiftebiljet en het daaropvolgende doen van aangifte niet leiden tot verlies van de bevoegdheid van de inspecteur om navorderingsaanslagen op te leggen. Het vertrouwen dat belanghebbenden hieraan zouden kunnen ontlenen is niet gerechtvaardigd. Het beroep in cassatie werd verworpen en er werden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de inspecteur direct navorderingsaanslagen kan opleggen bij verzuim van aangifte, ook na uitreiking van een aangiftebiljet en gedane aangifte.