ECLI:NL:HR:1996:AA2030
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Urlings
- raadsheer C.H.M. Jansen
- raadsheer Fleers
- raadsheer Pos
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toepassing Successiewet bij verkrijging uit nalatenschap na emigratie en remigratie
Belanghebbende kreeg een aanslag in het successierecht opgelegd naar aanleiding van zijn verkrijging uit de nalatenschap van zijn moeder, die na emigratie en remigratie overleed. Na bezwaar en beroep bij het hof werd de aanslag verminderd, maar het hof bevestigde dat artikel 10 van Pro de Successiewet 1956 ook van toepassing is op rechtshandelingen buiten Nederland.
In cassatie stelde belanghebbende dat artikel 10 slechts Pro van toepassing zou zijn op binnen Nederland verrichte rechtshandelingen en dat de waarde van de verkrijging moest worden bepaald naar de waardestijging vanaf remigratie. De Hoge Raad verwierp deze middelen en bevestigde dat de wetstekst, wetsgeschiedenis en strekking geen beperking naar binnenlands plaatselijk handelen bevatten.
De Hoge Raad oordeelde dat de waarde van de verkrijging moet worden bepaald volgens artikel 21 lid 1 van Pro de Successiewet, namelijk naar de waarde op het tijdstip van verkrijging in het economische verkeer. Motiveringsklachten tegen het oordeel faalden eveneens. De Hoge Raad wees het beroep af en veroordeelde belanghebbende niet in proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de aanslag successierecht volgens het hofarrest.