ECLI:NL:HR:1996:AA2030

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 september 1996
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
31557
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • raadsheer Urlings
  • raadsheer C.H.M. Jansen
  • raadsheer Fleers
  • raadsheer Pos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Successiewet 1956Art. 21 lid 1 Successiewet 1956Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling toepassing Successiewet bij verkrijging uit nalatenschap na emigratie en remigratie

Belanghebbende kreeg een aanslag in het successierecht opgelegd naar aanleiding van zijn verkrijging uit de nalatenschap van zijn moeder, die na emigratie en remigratie overleed. Na bezwaar en beroep bij het hof werd de aanslag verminderd, maar het hof bevestigde dat artikel 10 van Pro de Successiewet 1956 ook van toepassing is op rechtshandelingen buiten Nederland.

In cassatie stelde belanghebbende dat artikel 10 slechts Pro van toepassing zou zijn op binnen Nederland verrichte rechtshandelingen en dat de waarde van de verkrijging moest worden bepaald naar de waardestijging vanaf remigratie. De Hoge Raad verwierp deze middelen en bevestigde dat de wetstekst, wetsgeschiedenis en strekking geen beperking naar binnenlands plaatselijk handelen bevatten.

De Hoge Raad oordeelde dat de waarde van de verkrijging moet worden bepaald volgens artikel 21 lid 1 van Pro de Successiewet, namelijk naar de waarde op het tijdstip van verkrijging in het economische verkeer. Motiveringsklachten tegen het oordeel faalden eveneens. De Hoge Raad wees het beroep af en veroordeelde belanghebbende niet in proceskosten.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de aanslag successierecht volgens het hofarrest.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 31 augustus 1995 betreffende de aan hem opgelegde aanslag in het recht van successie ter zake van zijn verkrijging uit de nalatenschap van A, verleden op 3 december 1987.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is een aanslag in het recht van successie opgelegd naar een verkrijging van ƒ 13.410.640,- welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd met ƒ 67.987,35. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een verkrijging van ƒ 11.921.481,- onder verrekening van ƒ 37.905,- aan buitenlands recht. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Erflaatster, de moeder van belanghebbende, is op 3 december 1987 in haar laatste woonplaats, Q, overleden. In 1959 waren erflaatster en haar, in 1982 overleden, echtgenoot vanuit Nederland geëmigreerd naar Zwitserland. Eind 1976 waren zij verhuisd naar België. Begin 1986 was erflaatster metterwoon teruggekeerd naar Nederland. In 1976 hebben erflaatster en haar echtgenoot bij vier notariële akten, verleden voor een Zwitserse notaris, vrijwel hun gehele vermogen onder voorbehoud van vruchtgebruik voor zichzelf en overgaand op de langstlevende echtgenoot geschonken aan hun in Nederland wonende twee kinderen, belanghebbende en zijn zuster. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat voor de toepassing van artikel 10 van Pro de Successiewet 1956 niet is vereist dat de in dat artikel bedoelde rechtshandeling binnen Nederland heeft plaatsgevonden. 3.3. Noch de tekst van artikel 10, noch de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling noch de uit die geschiedenis blijkende strekking daarvan biedt aanknopingspunt voor de in het primaire middel verdedigde opvatting dat artikel 10 slechts Pro ziet op verkrijgingen in verband met rechtshandelingen die binnen Nederland hebben plaatsgevonden. Het primaire middel treft derhalve geen doel. 3.4. In zijn subsidiaire middel herhaalt belanghebbende zijn door het Hof verworpen betoog dat in een geval als het onderhavige doel en strekking van artikel 10 slechts Pro tot hun recht komen indien de waarde van de verkrijging wordt bepaald op de "waarde-aangroei van de geschonken vermogensbestanddelen vanaf het moment van remigratie van erflaatster tot aan het moment van haar overlijden hier te lande". 3.5. Dit betoog vindt geen steun in het recht: ook wat de waarde van de verkrijging betreft bestaat er, mede gelet op de in de uitspraak van het Hof onder 6.6 aangehaalde passage uit de wetsgeschiedenis, geen grond om bij de toepassing van artikel 10 af Pro te wijken van de regel van artikel 21, lid 1, van de Successiewet 1956 dat het verkregene wordt in aanmerking genomen naar de waarde welke daaraan op het tijdstip van de verkrijging in het economische verkeer kan worden toegekend. Het subsidiaire middel slaagt derhalve evenmin. 3.6. Voor zover de middelen tevens ertoe strekken de hiervoor juist bevonden rechtsoordelen met motiveringsklachten te bestrijden falen zij eveneens aangezien een rechtsoordeel niet met vrucht met een motiveringsklacht kan worden bestreden.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten, als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 25 september 1996 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter en de raadsheren Urlings, C.H.M. Jansen, Fleers en Pos, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Boorsma, en op die datum in het openbaar uitgesproken.