ECLI:NL:HR:1996:AA2034

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juni 1996
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
31444
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • raadsheer Urlings
  • raadsheer Fleers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 Algemene wet inzake rijksbelastingen (oud)Art. 276a Gemeentewet (oud)Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen leges parkeervergunning gemeente Hoorn

X B.V. heeft bezwaar gemaakt tegen de heffing van leges van ƒ 480 voor een parkeervergunning over het jaar 1991. De Chef van de afdeling Financiën van de gemeente Hoorn verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. X B.V. ging in beroep bij het Gerechtshof Amsterdam, dat het oordeel van de Chef bevestigde.

Vervolgens stelde X B.V. beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht had geoordeeld dat X B.V. niet aannemelijk had gemaakt dat zij aangifte had gedaan van het parkeergeld en dat het bezwaar zich richtte tegen het juiste bedrag. Dit oordeel berustte op een juiste bewijslastverdeling en waardering van de bewijsmiddelen.

De Hoge Raad verwierp daarom het cassatieberoep en bevestigde dat X B.V. niet ontvankelijk was in haar bezwaar. Tevens wees de Hoge Raad een veroordeling in proceskosten af. Het arrest werd op 5 juni 1996 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het cassatieberoep van X B.V. wordt verworpen en het bezwaar tegen de leges wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 10 mei 1995 betreffende de door de gemeente Hoorn wegens de verlening van na te melden parkeervergunning geheven leges.
1. De heffing en het bezwaar Belanghebbende heeft een bezwaarschrift ingediend tegen de heffing van een bedrag aan leges van ƒ 480,-- ter zake van het verlenen van een parkeervergunning voor het jaar 1991, welk bezwaarschrift bij uitspraak van de Chef van de afdeling Financiën der secretarie van de gemeente Hoorn (hierna: "de Chef") niet ontvankelijk is verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding voor het Hof Belanghebbende is van de uitspraak van de Chef in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak van de Chef bevestigd.
3. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Chef heeft een vertoogschrift ingediend.
4. Beoordeling van de klachten Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat door haar over het tijdvak van 1 januari 1991 tot 1 januari 1992 een aangifte is gedaan van het parkeergeld ter zake van het parkeren krachtens een parkeervergunning als bedoeld in artikel 9 van Pro de Parkeer- en parkeergeldverordening 1990 van de gemeente Hoorn. Dit oordeel, hetwelk kennelijk mede aldus moet worden verstaan dat belanghebbende ook geen feiten of omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die het oordeel rechtvaardigen dat het bezwaarschrift zich richt tegen het, door B naar de Chef redelijkerwijs heeft moeten begrijpen, namens belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan parkeergeld, geeft niet blijk van een onjuiste bewijslastverdeling en kan, als berustende op de aan het Hof voorbehouden waardering van de bewijsmiddelen en geen nadere motivering behoevende, in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Aan dit oordeel heeft het Hof terecht de gevolgtrekking verbonden dat belanghebbende niet ontvankelijk was in haar bezwaar. De klachten falen derhalve.
5. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
6. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 5 juni 1996 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Reijngoud, en op die datum in het openbaar uitgesproken.