ECLI:NL:HR:1996:AA2052

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 oktober 1996
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
31256
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Stoffer
  • Zuurmond
  • C.H.M. Jansen
  • Fleers
  • Pos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46 lid 1 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 26 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechtenArt. 1:395b lid 1 Burgerlijk WetboekArt. 101a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt gelijkheid bij aftrek studiekosten niet-verzorgende gescheiden ouders

Belanghebbende, een niet-verzorgende gescheiden ouder, maakte bezwaar tegen een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 1990, waarin geen aftrek werd toegestaan voor studiekosten van zijn studerende kind. Na bevestiging van de aanslag door de Inspecteur en het gerechtshof, stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

Hij voerde aan dat de regeling in artikel 46 lid 1 aanhef Pro en letter a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 ongelijk en onrechtvaardig was, omdat niet-verzorgende gescheiden ouders geen compensatie kunnen verkrijgen voor het verlies van aftrek terwijl verzorgende ouders dat wel kunnen via kinderbijslag en studiefinanciering. Dit zou in strijd zijn met artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).

De Hoge Raad oordeelde dat het niet is uitgesloten dat niet-verzorgende gescheiden ouders vermindering van hun alimentatieverplichting kunnen verkrijgen wegens de verminderde draagkracht door het verlies van de aftrek. Artikel 1:395b lid 1 BW staat dit niet in de weg. Er is geen rechtens relevant verschil tussen niet-verzorgende gescheiden ouders en andere ouders bij de onderhoudsplicht en rekening houden met studiefinanciering.

De overige middelen faalden eveneens. De Hoge Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en wees het beroep af. Het arrest werd op 2 oktober 1996 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de aanslag zonder aftrek voor studiekosten.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 6 april 1995 betreffende de hem voor het jaar 1990 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1990 een aanslag inkomstenbelastingpremie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 50.443,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen 3.1. Belanghebbende herhaalt in cassatie zijn voor het Hof gehouden betoog dat de in artikel 46, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) neergelegde regeling ingevolge welke - voor zover hier van belang - geen buitengewone-lastenaftrek kan worden verkregen voor uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van kinderen die - kort gezegd - recht op studiefinanciering hebben, niet alle categorieën ouders in gelijke mate treft en, aldus nog steeds belanghebbende, met name onvoldoende rekening houdt met de positie van niet-verzorgende gescheiden ouders die jegens hun studerende kinderen alimentatieplichtig zijn. Aan dit betoog verbindt belanghebbende de gevolgtrekking dat voormelde regeling ten aanzien van laatstbedoelde categorie ouders - waartoe belanghebbende behoort - een met artikel 26 IVBPR Pro strijdige ongelijke behandeling inhoudt. 3.2. Belanghebbendes betoog berust met name hierop dat naar zijn mening niet-verzorgende gescheiden ouders ingeval het kind voor hetwelk zij alimentatieplichtig zijn gaat studeren, tegenover het verlies van de buitengewone-lastenaftrek geen vermindering van hun alimentatieverplichting kunnen verkrijgen terwijl zijns inziens andere ouders het verlies van bijvoorbeeld kinderbijslag kunnen opvangen doordat zij kunnen "profiteren" van de aan het gekende basisbeurs. 3.3. Anders dan belanghebbende in dit betoog veronderstelt is echter niet uitgesloten dat een niet-verzorgende gescheiden ouder in een dergelijke positie vermindering van zijn alimentatieverplichting kan verkrijgen op grond van de vermindering in draagkracht die een gevolg is van het verlies van de buitengewone-lastenaftrek. In het bijzonder valt niet in te zien waarom het bepaalde in artikel 1:395b lid 1, BW, dat belanghebbende als grond voor zijn veronderstelling noemt, aan een dergelijke vermindering in de weg zou staan. Voor het overige is er met betrekking tot de onderhoudsplicht en de mogelijkheid om bij de vaststelling daarvan rekening te houden met het recht op studiefinanciering van het kind geen rechtens relevant verschil tussen de niet-verzorgende gescheiden ouder en andere ouders van meerderjarig geworden kinderen. 3.4. De van een andere opvatting uitgaande middelen I tot en met VII falen derhalve. Middel VIII faalt evenzeer. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering nu dit middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 2 oktober 1996 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, C.H.M. Jansen, Fleers en Pos, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Barendse, en op die datum in het openbaar uitgesproken.