ECLI:NL:HR:1996:AA2056

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 augustus 1996
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
31101
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Van der Linde
  • Bellaart
  • Van der Putt-Lauwers
  • Van Brunschot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 Wet op de vennootschapsbelasting 1969
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak hof inzake vennootschapsbelasting 1988 en verwijst zaak terug

X B.V., een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid gevestigd in Spanje, kreeg voor het jaar 1988 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd van ƒ 110.000,-- met een verhoging wegens niet tijdige aangifte. Na bezwaar en beroep bij het Hof Amsterdam werd de aanslag en de verhoging gehandhaafd.

X B.V. stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad oordeelde dat zolang niet duidelijk is hoe is beschikt op het verzoek om fiscale eenheid op grond van artikel 15 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, het beroep tegen de uitspraak op bezwaar niet kan worden behandeld. Het hof had desalniettemin uitspraak gedaan, waardoor het arrest niet in stand kon blijven.

De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling in een meervoudige kamer, met inachtneming van dit arrest. Tevens werden proceskosten en griffierechten toegewezen aan belanghebbende.

De uitspraak benadrukt het belang van een duidelijke beschikking op het verzoek om fiscale eenheid alvorens inhoudelijk op de aanslag te beslissen. Dit arrest is op 30 augustus 1996 in het openbaar uitgesproken door de Hoge Raad.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling met inachtneming van het arrest.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z (Spanje) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 14 februari 1995 betreffende de haar voor het jaar 1988 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1988 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 110.000,--, met een verhoging wegens niet tijdige aangifte, groot ƒ 1.000,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd, en de verhoging heeft gehandhaafd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr P.J. Trijzelaar, advocaat te 's-Gravenhage.
3. Beoordeling van de klachten 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Alle aandelen in belanghebbende worden gehouden door A B.V., waarvan alle aandelen op haar beurt worden gehouden door B B.V. Alle genoemde vennootschappen zijn naar Nederlands recht opgerichte lichamen. De boekjaren van deze vennootschappen zijn gelijk aan het kalenderjaar. Het voor het onderwerpelijke jaar uitgereikte aangiftebiljet heeft belanghebbende - ook na aanmaning - niet ingeleverd. De onderhavige aanslag is opgelegd naar een geschat belastbaar bedrag van ƒ 110.000,--. Vóór de aanvang van het onderhavige jaar is een verzoek gedaan om toepassing van artikel 15 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet) teneinde tot een fiscale eenheid van belanghebbende met A B.V., respectievelijk met B B.V. te komen. Op dit verzoek is geen beschikking gegeven. 3.2. Zolang niet vaststaat hoe is beschikt op het verzoek tot toepassing van artikel 15 van Pro de Wet, kan op het beroep tegen de uitspraak op bezwaar niet worden beslist. Nu het Hof niettemin uitspraak heeft gedaan, kan deze uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het geding in cassatie redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen als hierna zal worden vermeld.
5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's- Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 300,--, en veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 5.680,--voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is op 30 augustus 1996 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, Van der Putt-Lauwers en Van Brunschot, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.