ECLI:NL:HR:1996:AA3253
Hoge Raad
- Cassatie
- Urlings
- Jansen
- Pos
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verwerpt cassatie tegen successierechtelijke aanslag op nalatenschap
De erfgenamen van A hebben beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 9 november 1994, waarin de aan hen opgelegde aanslag in het successierecht werd bevestigd. Deze aanslag betrof een belaste verkrijging van in totaal ƒ 2.142.974,-- uit de nalatenschap van de erflater, overleden op 14 mei 1990.
Na bezwaar tegen de aanslag en handhaving door de Inspecteur, bevestigde het Hof de aanslag. De erfgenamen voerden enkele klachten aan in cassatie, maar de Hoge Raad oordeelde dat deze klachten geen aanleiding geven tot cassatie. Gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie was geen nadere motivering vereist omdat de klachten geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen.
De Hoge Raad wees ook het verzoek tot veroordeling in proceskosten af, omdat daartoe geen gronden aanwezig waren volgens artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Het arrest werd op 17 april 1996 vastgesteld en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Urlings als voorzitter en raadsheren Jansen en Pos.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de erfgenamen wordt verworpen en de aanslag successierecht blijft gehandhaafd.