Uitspraak
26 januari 1996.
Hoge Raad
Bemico c.s. vorderden ontbinding van een koopovereenkomst met Cornebo wegens wanprestatie, omdat geleverde buitenlampen niet voldeden aan Kema-keur en NEN-normen. Na afkeuring door de Economische Controle Dienst (ECD) en oplegging van een verkoopverbod, stelde Bemico dat Cornebo niet tijdig de gebreken had hersteld.
De rechtbank ontbond de overeenkomst, maar het hof vernietigde dit en wees de vordering af, oordelend dat Bemico niet had bewezen dat Cornebo niet tijdig kon herstellen. Het hof stelde vast dat herstelwerkzaamheden voor 70% waren voltooid en dat het resterende deel binnen de gestelde termijn gereed had kunnen zijn, mits Bemico de werkzaamheden niet voortijdig had beëindigd.
Bemico stelde in cassatie diverse klachten over de motivering en bewijsopdracht, waaronder over de vraag welke gebreken hersteld moesten worden en de termijn voor herstel. De Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn motivering voldoende had gegeven, dat de bewijsopdracht correct was, en dat de klachten niet tot vernietiging konden leiden.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde Bemico in de proceskosten. Hiermee blijft het oordeel van het hof dat geen wanprestatie door Cornebo is bewezen ongewijzigd.
Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt afwijzing ontbindingsvordering wegens onvoldoende bewijs wanprestatie.