Uitspraak
26 april 1996.
Hoge Raad
De zaak betreft het ontslag op staande voet van een benzinepompbediende door zijn werkgever, waarbij de dringende reden voor het ontslag niet onverwijld aan de werknemer is medegedeeld. De kantonrechter wees de vorderingen van de werknemer af, maar het gerechtshof oordeelde dat het ontslag nietig was vanwege het ontbreken van de onverwijlde mededeling van de dringende reden.
De Hoge Raad bevestigt dat de stelplicht omtrent de onverwijlde mededeling van de dringende reden bij de werkgever ligt en dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat deze mededeling ontbrak. Wel vernietigt de Hoge Raad het vonnis omdat het gerechtshof niet opnieuw heeft beoordeeld of de werknemer zich na het ontslag beschikbaar heeft gehouden, een verweer dat door de werkgever was ingebracht en door de kantonrechter was verworpen.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de curator, die niet in cassatie is verschenen, in de proceskosten moet worden veroordeeld, waarbij deze kosten boedelschuld zijn, omdat de vordering in eerste aanleg door de schuldenaar is ingesteld en de curator niet kan voorkomen dat de kosten voor rekening van de boedel komen.
De zaak wordt verwezen naar het gerechtshof Arnhem voor verdere behandeling en beslissing. Het arrest bevestigt het belang van een onverwijlde mededeling van de dringende reden bij ontslag op staande voet en de stelplicht van de werkgever in dat kader.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet is nietig verklaard wegens het niet onverwijld mededelen van de dringende reden en de zaak is verwezen naar het gerechtshof Arnhem voor verdere behandeling.