De zaak betreft een geschil over het verhaal van bijstandskosten die de Gemeente Lelystad aan de ex-echtgenote van de man heeft verstrekt. De Rechtbank Zwolle stelde in juni 1995 vast dat de man vanaf mei 1994 maandelijks een bedrag van f 850, inclusief kinderalimentatie, aan de Gemeente moest betalen.
De man stelde hoger beroep in tegen deze beschikking, maar het Gerechtshof Arnhem verklaarde hem niet-ontvankelijk omdat het beroepschrift te laat was ingediend. De beroepstermijn van drie weken, zoals toen geldend procesrecht voorschreef, was overschreden. De man voerde aan dat hij binnen de termijn van twee maanden had gehandeld zoals vermeld in de beschikking, maar de Hoge Raad oordeelde dat de onjuiste rechtsmiddelbelehrung door de griffier de wettelijke beroepstermijn niet kon verdringen.
De Hoge Raad bevestigde dat op grond van het toepasselijke procesrecht de beroepstermijn strikt moet worden nageleefd en dat er geen verschoonbaar verzuim was, mede omdat de man werd bijgestaan door dezelfde advocaat als in eerste aanleg en er geen bijzondere omstandigheden waren. Het beroep werd daarom verworpen.