3.3 Het Hof heeft de beschikkingen van de Rechtbank bekrachtigd. Daartoe heeft het, voor zover thans van belang, als volgt overwogen:
"3.2. Uit het feit dat de man in het verleden in psychische nood heeft verkeerd en wellicht nog steeds psychiatrische begeleiding nodig heeft, kan niet worden afgeleid dat er sprake is van een zodanige psychische stoornis dat hij niet in staat zou zijn om zijn wil te bepalen. Het verzoek van de vrouw tot benoeming van een deskundige dient dan ook te worden afgewezen.
3.3. Uit het relaas van de vrouw, dat zich bij de stukken bevindt, is op te maken dat in haar beleving de crisis in het huwelijk van partijen terug te voeren is op een complex van factoren, die los van het huwelijk staan en dat, indien zulks door middel van een deskundige begeleiding van de man, aan hem duidelijk zou worden gemaakt, deze crisis overwonnen kan worden.
Ook als de visie van de vrouw juist zou zijn, doet dat niet af aan het feit dat onder de gegeven omstandigheden het huwelijk als duurzaam ontwricht moet worden beschouwd.
Nu de man volhardt bij zijn verzoek tot echtscheiding en hij in staat is zijn wil te bepalen is voor een begeleiding als door de vrouw gewenst geen plaats; de wet biedt hiervoor geen basis.".
Tegen deze overwegingen richt zich het middel. Onderdeel a bestrijdt de afwijzing van het verzoek tot benoeming van een deskundige (rov. 3.2) en onderdeel b klaagt erover dat het Hof met zijn oordeel over de duurzame ontwrichting (rov. 3.3) blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
3.4 Onderdeel a faalt. Blijkens rov. 2.5 aan het slot is het Hof bij zijn afwijzing van het verzoek tot benoeming van een deskundige uitgegaan van een verklaring van de behandelend psychiater volgens welke "er thans geen sprake is van een psychiatrisch toestandsbeeld" en "de man volledig wils- en oordeelsbekwaam is" en voorts van de - op zichzelf niet weersproken - stelling van de man dat hij "goed heeft nagedacht" alvorens het besluit tot echtscheiding te nemen en "geen basis" meer zag "om het huwelijk te laten voortbestaan" . Tegen deze achtergrond is de motivering voor bedoelde afwijzing niet onbegrijpelijk noch onvoldoende.
3.5 Eenmaal aangenomen dat de man bij zijn verzoek tot echtscheiding en bij de handhaving van dat verzoek heeft geweten wat hij wilde, faalt onderdeel b eveneens, reeds omdat overeenkomstig het standpunt van de Regering bij de behandeling van het thans geldende echtscheidingsrecht moet worden aangenomen dat, "als de eisende echtgenoot onder aanvoering van gronden stelt en blijft stellen dat hij, hoe ook, met de gedaagde echtgenoot niet meer kan samenleven, dit door de rechter moet worden opgevat als een zeer ernstige aanwijzing dat de toestand van 'duurzame ontwrichting' inderdaad bestaat" (Kamerstukken II 1970/71, 10 213, nr. 9, blz. 2, linker kolom) en omdat het Hof kennelijk dienovereenkomstig heeft geoordeeld en op die grond de duurzame ontwrichting heeft aangenomen. Dit oordeel getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting en moet voor het overige als feitelijk en niet onbegrijpelijk in cassatie worden geëerbiedigd.