Uitspraak
13 december 1996.
Hoge Raad
In deze zaak ging het om een betrokkene die op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Bopz) gedwongen in een psychiatrisch ziekenhuis verbleef. De rechtbank had een machtiging tot voortgezet verblijf verleend, maar deze beschikking werd door de Hoge Raad vernietigd wegens schending van art. 8 lid 1 in Pro verbinding met art. 17 lid 1 Bopz Pro. De betrokkene vorderde vervolgens een schadevergoeding van de Staat wegens immateriële schade veroorzaakt door de onzekerheid over de rechtmatigheid van zijn verblijf.
De rechtbank kende een beperkte vergoeding toe voor immateriële schade en advocaatkosten, welke door het hof werden bekrachtigd. De Hoge Raad oordeelde dat de toekenning van schadevergoeding naar billijkheid op grond van art. 35 Bopz Pro niet gebonden is aan de beperkingen van art. 6:106 BW Pro. De vergoeding kan worden toegekend voor de periode waarin de betrokkene in onzekerheid verkeerde over de rechtmatigheid van zijn verblijf, ook al was het verblijf zelf rechtmatig.
De Hoge Raad benadrukte dat de vergoeding een genoegdoening betreft voor de spanningen en frustraties die uit die onzekerheid voortvloeiden, en dat een nadere motivering van het bedrag niet vereist is. Tevens wees de Hoge Raad het beroep van de betrokkene af en bevestigde daarmee de eerdere beslissingen van rechtbank en hof.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt de toekenning van een beperkte billijke schadevergoeding voor immateriële schade door onzekerheid over het gedwongen verblijf.