Uitspraak
20 december 1996.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om een geschil tussen Aegon Schadeverzekering N.V. en B.V. [verweerster] over een opstalverzekering gesloten voor een pand te [plaats]. De verzekeraar weigerde schadevergoeding na brand in 1992 met een beroep op artikel 251 van Pro het Wetboek van Koophandel wegens verzwijging van relevante feiten bij de aanvraag.
De verzekering was aangevraagd via een door de directeur en enig aandeelhouder van [verweerster], [betrokkene 1], ingevuld formulier. Er was onenigheid over wie de feitelijke verzekeringnemer was en of de verzwijging aan de vennootschap of aan de directeur moest worden toegerekend. Het hof oordeelde dat Aegon zich alleen op de directeur kon beroepen en niet op de vennootschap, wat de Hoge Raad onbegrijpelijk achtte.
De Hoge Raad benadrukte dat bij een verzekering gesloten op basis van een door de verzekeraar opgestelde vragenlijst, de verzekeringnemer de vragen mag opvatten zoals redelijk is en dat de verzekeraar zich niet kan beroepen op niet-gevraagde feiten tenzij opzet tot misleiding bestaat. Tevens moet worden onderzocht of de directeur en vennootschap als één worden gezien voor de mededelingsplicht.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam voor nader onderzoek naar de verzwijging en de vraag of deze het beroep op artikel 251 rechtvaardigt Pro. Tevens werden de proceskosten aan [verweerster] opgelegd.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar een ander hof voor nader onderzoek naar de verzwijging en de vereenzelviging van directeur en vennootschap.