Uitspraak
23 april 1996.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, waarin verdachte is veroordeeld voor meermalen valsheid in geschrift. Verdachte had op 13 augustus 1990 en 17 september 1991 aanvraagformulieren voor een verklaring van geen bezwaar voor het gebruik van methylbromide ingevuld met de onjuiste vermelding dat tomaten zouden worden geteeld, terwijl dit niet het geval was.
Het hof oordeelde dat verdachte bewust onjuiste verklaringen had afgelegd met het oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken, omdat hij wist dat alleen voor tomaten en rozen methylbromide mocht worden gebruikt. Verdachte verklaarde dat hij de aanvragen voor de zekerheid had ingevuld om de grond te kunnen ontsmetten, mocht hij zelf tomaten gaan telen, maar in werkelijkheid had hij geen tomaten geteeld.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof en wijst het cassatieberoep af. Het oogmerk van verdachte om de valse geschriften te gebruiken was voldoende bewezen. De Hoge Raad ziet geen aanleiding tot vernietiging en benadrukt dat het opzet zich richt op het gebruik van het valse geschrift, niet op de valsheid zelf.
De straf opgelegd door het hof bestond uit vier weken gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een geldboete van zesduizend gulden, subsidiair zestig dagen hechtenis. De Hoge Raad handhaaft deze uitspraak.
Deze uitspraak benadrukt het belang van de waarheid bij officiële aanvragen en bevestigt dat het gebruik van valse documenten met opzet strafbaar is, ook als de valsheid betrekking heeft op toekomstige intenties die niet zijn gerealiseerd.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot vier weken voorwaardelijke gevangenisstraf en een geldboete wegens meermalen valsheid in geschrift.