ECLI:NL:HR:1996:ZD0434

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 april 1996
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
102.206
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Haak
  • Koster
  • Schipper
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 SrArt. 101a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor valsheid in geschrift bij aanvraag methylbromide-verklaring

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, waarin verdachte is veroordeeld voor meermalen valsheid in geschrift. Verdachte had op 13 augustus 1990 en 17 september 1991 aanvraagformulieren voor een verklaring van geen bezwaar voor het gebruik van methylbromide ingevuld met de onjuiste vermelding dat tomaten zouden worden geteeld, terwijl dit niet het geval was.

Het hof oordeelde dat verdachte bewust onjuiste verklaringen had afgelegd met het oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken, omdat hij wist dat alleen voor tomaten en rozen methylbromide mocht worden gebruikt. Verdachte verklaarde dat hij de aanvragen voor de zekerheid had ingevuld om de grond te kunnen ontsmetten, mocht hij zelf tomaten gaan telen, maar in werkelijkheid had hij geen tomaten geteeld.

De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof en wijst het cassatieberoep af. Het oogmerk van verdachte om de valse geschriften te gebruiken was voldoende bewezen. De Hoge Raad ziet geen aanleiding tot vernietiging en benadrukt dat het opzet zich richt op het gebruik van het valse geschrift, niet op de valsheid zelf.

De straf opgelegd door het hof bestond uit vier weken gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een geldboete van zesduizend gulden, subsidiair zestig dagen hechtenis. De Hoge Raad handhaaft deze uitspraak.

Deze uitspraak benadrukt het belang van de waarheid bij officiële aanvragen en bevestigt dat het gebruik van valse documenten met opzet strafbaar is, ook als de valsheid betrekking heeft op toekomstige intenties die niet zijn gerealiseerd.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot vier weken voorwaardelijke gevangenisstraf en een geldboete wegens meermalen valsheid in geschrift.

Uitspraak

23 april 1996
Strafkamer
nr. 102.206
AB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 23 december 1994 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven beslissingen in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1934, wonende te [plaats] .
1. De bestreden einduitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 24 juni 1993, voor zover aan 's Hofs oordeel onderworpen, - de verdachte ter zake van la. en 1b. "valsheid in geschrift, meermalen gepleegd" veroordeeld tot vier weken gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een geldboete van zesduizend gulden, subsidiair zestig dagen hechtenis.
2. Het cassatieberoep
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr P.J.L.J. Duijsens, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. De conclusie van het Openbaar Ministerie
De Advocaat-Generaal Meijers heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
4. Bewezenverklaring en bewijsvoering
4.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij in het arrondissement 's-Gravenhage op tijdstippen in het jaar 1990 en in het jaar 1991 aanvragen voor een verklaring van geen bezwaar voor het gebruik van methylbromide als bedoeld in de Beschikking vrijstelling methylbromide, zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, telkens valselijk heeft opgemaakt, zulks telkens met het oogmerk die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken terwijl uit dat gebruik telkens enig nadeel kon ontstaan, immers heeft hij, verdachte, telkens met dat oogmerk
a. op 13 augustus 1990 te [plaats] valselijk, immers in strijd met de waarheid op een bovenbedoelde aanvraag voor een verklaring van geen bezwaar, genummerd 38977 als teelt, ten behoeve waarvan de grondontsmetting zou plaatsvinden, vermeld (zakelijk weergegeven) 'Tomaten', en
b. op 17 september 1991 te [plaats] , valselijk, immers in strijd met de waarheid op een bovenbedoelde aanvraag voor een verklaring van geen bezwaar, genummerd 40117 als teelt, ten behoeve waarvan de grondontsmetting zou plaatsvinden, vermeld (zakelijk weergegeven) 'Tomaten', welke bovengenoemde vermelding van de teelt telkens door of namens hem, verdachte, met een handtekening werd bekrachtigd".
4.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-
Op 13 augustus 1990 en op 17 september 1991 heb ik telkens een aanvraagformulier voor een verklaring van geen bezwaar voor methylen ten behoeve van de tomatenteelt ondertekend. Er hebben in de perioden daarna echter geen tomaten gestaan op de ontsmette gedeelten. Ik had de verklaringen van geen bezwaar aangevraagd -en nadien de tuin gemethyld- voor het geval dat de tuin niet verhuurd zou worden. In dat geval zou ik namelijk zelf een teelt moeten gaan zetten en dan wilde ik eventueel tomaten gaan telen. Ik heb de aanvragen dus voor de zekerheid ingevuld.
Een ambtsedig proces-verbaal met bijlagen van de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij nr 1226/92/010, zaak 026 d.d. 2 oktober 1992 en 15 februari 1993, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , respectievelijk ambtenaar bij de afdeling Recherche van de Algemene Inspectiedienst en ambtenaar bij de Inspectie West van de Algemene Inspectiedienst. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven -:
a. het daarbij als bijlage 026/V57/02 gevoegde ambtsedig proces-verbaal van de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij d.d. 23 juni 1992, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 3] , hoofdagent, en een andere bevoegde opsporingsambtenaar. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven -:
als de op 23 juni 1992 tegenover de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] afgelegde verklaring van de verdachte:
U toont mij verklaring nummer 40117. Ik herken deze. Mijn handtekening staat eronder. Ik wilde een schone grond hebben. Om een schone grond te krijgen en een verklaring te krijgen om te kunnen methylen moest er 'tomaten' worden ingevuld. Anders krijg je gewoon geen verklaring. Dan wordt deze afgewezen. Ik ben via de vakbladen op de hoogte van de methylregeling en ik wist, dat er alleen nog mocht worden gemethyld voor rozen en tomaten. Alles wat ik wilde was een schone grond. Ik moest dus tomaten op de verklaring invullen om te kunnen methylen. Ik wist, dat het zeer onwaarschijnlijk was, dat er tomaten zouden komen. Ik hoopte, dat ik mijn tuin weer kon verhuren.
Ik, noch [betrokkene] , heeft tomaten geteeld in 1991/1992.
b. het daarbij als bijlage 026/V57/03 gevoegde ambtsedig proces-verbaal van de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij d.d. 23 juni 1992, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 4] , wachtmeester eerste klas van de Rijkspolitie te De Lier, en een andere bevoegde opsporingsambtenaar. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:
als de op 23 juni 1992 tegenover de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] afgelegde verklaring van de verdachte:
U toont mij verklaring nummer 38977. Ik herken deze. Mijn handtekening staat eronder. Ook op deze verklaring staan tomaten ingevuld. Dit om dezelfde reden als ik reeds in mijn vorige verklaring heb uitgelegd. Alles wat ik wilde was een schone grond en dus moest er gemethyld worden. De enige manier was dus om tomaten in te vullen.
het daarbij als bijlage 026/D/16 gevoegd geschrift, te weten een Aanvraag voor een verklaring van geen bezwaar voor het gebruik van methylbromide genummerd 38977. Het houdt onder meer in:
Naam tuinder/teler [verdachte] , adres [adres] ;
Ten behoeve van welke teelt vindt de ontsmetting plaats: Tomaten;
Naam ondergetekende tuinder/teler: [verdachte] ;
Plaats van ondertekening [plaats] ;
Datum van ondertekening 13 augustus 1990.
.
d. het daarbij als bijlage 026/D/05 gevoegd geschrift, te weten een Aanvraag voor een verklaring van geen bezwaar voor het gebruik van methylbromide genummerd 40117. Het houdt onder meer in:
Naam. tuinder/teler [verdachte] , adres [adres] ;
Ten behoeve van welke teelt vindt de ontsmetting. plaats: Tomaten;
Naam ondergetekende tuinder/teler: [verdachte] ; Plaats van ondertekening [plaats] ; Datum van ondertekening 17 september 1991.
4.3. Voorts heeft het Hof nog overwogen :
Bewijsoverweging
Het hof overweegt over het bewijs, dat de verdachte telkens het oogmerk heeft gehad om de valse aanvrage voor de verklaring van geen bezwaar als echt en onvervalst te gebruiken, als volgt;
het hof gaat ervan uit dat de verdachte bekend was met de strekking van de regeling, die in beginsel ter bescherming van de volksgezondheid en het milieu het ontsmetten van grond met methylbromide verbiedt. Daarom en mede gezien het feit dat het telkens door de verdachte ondertekende aanvraagformulier, waarin, kort gezegd, ontheffing van die regeling wordt gevraagd, uitdrukkelijk vermeldt, dat de tuinder verklaart de gegevens naar waarheid te hebben verstrekt, moet het de verdachte duidelijk zijn geweest en is het ook zijn bedoeling geweest, dat zijn op het aanvraagformulier onder punt 9 gegeven verklaring dat de ontsmetting plaats vindt ten behoeve van de teelt tomaten, zou worden opgevat alsof bij hem het vaste voornemen bestond tomaten te telen en dat op grond daarvan toestemming zou worden verleend om met methylbromide te ontsmetten. De valsheid van die verklaring bestond hierin dat de verdachte in werkelijkheid niet van plan was tomaten te telen, en hoogstens de mogelijkheid wilde open houden om eventueel te zijner tijd tomaten te telen op met methylbromide ontsmette grond.
Dat de verdachte niet werkelijk van plan is geweest om tomaten te telen, leidt het hof, behalve uit de verklaring van de verdachte tegenover opsporingsambtenaren van de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw en ter terechtzitting in hoger beroep, ook af uit het feit dat de verdachte naderhand ook in feite geen tomaten heeft gekweekt.
5. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of van de rechtsontwikkeling.
6. Beoordeling van het tweede middel
Het in art. 225, eerste lid, Sr bedoelde oogmerk ziet slechts op het gebruik van het valse of vervalste geschrift en niet ook op de valsheid zelf. Voor bewezenverklaring van dat oogmerk is beslissend of de verdachte de bedoeling had het desbetreffende geschrift te gebruiken of te doen gebruiken. Dat oogmerk kan dus bestaan ongeacht de vorm van het opzet die ten aanzien van het valselijk opmaken of vervalsen wordt aangenomen. Het middel gaat kennelijk van een andere opvatting uit, zodat het tevergeefs is voorgesteld.
7. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
8. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Koster en Schipper, in bijzijn van de waarnemend-griffier Jansen, en uitgesproken op
23 april 1996.