Uitspraak
[woonplaats].
1.De bestreden einduitspraak
2.Het cassatieberoep
3.De conclusie van het Openbaar Ministerie
4.Bewezenverklaring
5.Beoordeling van het middel
7.Beslissing
7 mei 1996.
Hoge Raad
In deze strafzaak werd de verdachte in hoger beroep door het hof veroordeeld voor overtreding van de Wegenverkeerswet. De Hoge Raad onderzocht een cassatiemiddel dat betrekking had op de niet-naleving van het verschijningsvoorschrift voor de verdachte en diens raadsman tijdens de behandeling in eerste aanleg.
De Hoge Raad stelde vast dat de raadsman van de verdachte niet op de juiste wijze was geïnformeerd over de zittingsdatum, waardoor de behandeling van de zaak in eerste aanleg buiten aanwezigheid van verdachte en diens raadsman had plaatsgevonden. Dit is een wezenlijk verzuim dat leidt tot nietigheid van de behandeling.
Het hof had de zaak in hoger beroep behandeld en het vonnis van de politierechter vernietigd, maar had de zaak niet terugverwezen naar de politierechter, terwijl dit volgens art. 423, tweede lid, Sv wel had moeten gebeuren vanwege het niet-naleven van het verschijningsvoorschrift.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en verwijst de zaak terug naar de politierechter voor een nieuwe berechting op de inleidende dagvaarding. Hiermee wordt het belang van het verschijningsrecht van verdachte en diens raadsman benadrukt.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar de politierechter voor nieuwe berechting.