Uitspraak
15 oktober 1996.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van de rechtbank Breda die de uitlevering van een persoon aan Turkije toestond wegens betrokkenheid bij een misdadige organisatie die zich bezighoudt met drugshandel.
De verdediging voerde aan dat de opgeëiste persoon tijdens verhoren door Turkse politie is gefolterd, wat werd ondersteund door een rapport van een forensisch arts en een verklaring van het Europees Comité tegen foltering. Tevens werd gesteld dat de uitlevering politiek gemotiveerd is en dat er een reëel risico is op schending van mensenrechten.
De rechtbank verwierp deze bezwaren, stellende dat onvoldoende feiten waren om het folteringsverweer te onderzoeken en dat de beoordeling van mogelijke schendingen van fundamentele rechten aan de minister van Justitie toekomt.
De Hoge Raad oordeelde dat indien vaststaat dat foltering heeft plaatsgevonden, uitlevering ontoelaatbaar is en dat de rechtbank het folteringsverweer had moeten onderzoeken. Daarom vernietigde de Hoge Raad het vonnis en beval de oproeping van de opgeëiste persoon voor een feitelijke behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de uitspraak en beveelt een feitelijke behandeling wegens onvoldoende onderzoek naar het folteringsverweer.