Uitspraak
17 december 1996.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek van de Turkse autoriteiten tot uitlevering van een verdachte die wordt verdacht van grootschalige drugssmokkel via een vrachtschip van Pakistan naar Turkije en verder naar West-Europa. De verdachte werd gezocht voor vervolging wegens betrokkenheid bij het vervoer van duizenden kilo's heroïne en het organiseren van de drugstransporten.
De verdachte voerde verweren aan tegen uitlevering, waaronder onschuld, eerdere foltering door Turkse politie, en het risico op hernieuwde foltering of levensgevaar bij uitlevering vanwege zijn vermeende politieke activiteiten en Koerdische achtergrond. Ook werd een schending van het recht op een redelijke berechtingstermijn aangevoerd.
De Hoge Raad oordeelde dat de verdachte zijn onschuld niet had aangetoond, dat de eerdere foltering niet aannemelijk was gerelateerd aan de strafvervolging waarvoor uitlevering werd gevraagd, en dat de beoordeling van risico's op hernieuwde foltering of levensgevaar niet aan de rechter maar aan de Minister van Justitie toekomt. Ook het verweer over de redelijke termijn werd verworpen wegens gebrek aan flagrante schending.
De Hoge Raad verklaarde de uitlevering toelaatbaar en adviseerde de Minister van Justitie om het uitleveringsverzoek geen gevolg te geven, waarbij de rechter geen feiten of omstandigheden vond die uitlevering zouden moeten beletten.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de uitlevering van de verdachte aan Turkije toelaatbaar en adviseert de Minister van Justitie het verzoek geen gevolg te geven.