ECLI:NL:HR:1997:AA2089

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 februari 1997
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
31840
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Van der Linde
  • Bellaart
  • De Moor
  • Van der Putt-Lauwers
  • Meij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 lid 1 Wet op de omzetbelasting 1968Art. 31 Wet op de omzetbelasting 1968Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt naheffingsaanslag omzetbelasting bij verkoop veehoudersbedrijf en melkquotum

Belanghebbende exploiteerde een veehoudersbedrijf en handelde tevens in onroerend goed. Na aankoop van een veehoudersbedrijf met bijbehorende activa, waaronder een melkquotum, volgde verkoop van diverse onderdelen, waaronder de veestapel, inventaris, ladewagen, boerderij, weiland en melkquotum. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag omzetbelasting op, welke na bezwaar en beroep door het hof werd bevestigd.

Het hof oordeelde dat de bepalingen van artikel 27 lid 1 en Pro artikel 31 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968 niet van toepassing waren op de in geschil zijnde leveringen en diensten. Het cassatieberoep richtte zich onder meer tegen het niet behandelen van het beroep op vertrouwen op een Resolutie inzake overdracht melkquotum, en tegen de kwalificatie van de overdracht van onroerend goed en melkquotum als geen overdracht van een algemeenheid van goederen.

De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat het melkquotum niet tot de normale uitrusting van het veehoudersbedrijf behoorde en dat de activiteiten in onroerend goed niet als veehouderijactiviteiten konden worden aangemerkt. Ook oordeelde de Hoge Raad dat de activa niet als een samenhangend geheel met behoud van door gezamenlijke bestemming bepaalde samenhang waren overgedragen, zodat geen sprake was van overdracht van een onderneming of algemeenheid van goederen.

De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en zag geen aanleiding tot veroordeling in proceskosten. Het arrest werd op 12 februari 1997 in het openbaar uitgesproken door de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor, Van der Putt-Lauwers en Meij.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de naheffingsaanslag omzetbelasting.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 7 augustus 1995 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof. Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1989 tot en met 31 december 1990 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 60.702,--, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende exploiteerde een veehoudersbedrijf annex veehandel. Daarnaast handelde hij voor gezamenlijke rekening met A te Q en B te R in onroerend goed. Bij overeenkomst van 19 april 1989 verkreeg belanghebbende tezamen met A en B van C diens gehele veehoudersbedrijf, bestaande uit een boerderij, 24.07.70 ha. weiland, veestapel, inventaris en melkquotum. De totale koopsom bedroeg ƒ 1.838.000,--. De veestapel is kort na de koop via de veehandel van A verkocht. De inventaris is op 13 januari 1990 via een boelhuis verkocht voor een bedrag van ƒ 63.263,--. Buiten het boelhuis om is een ladewagen verkocht voor ƒ 4.400,--. Op 15 januari 1990 zijn verkocht c.q. overgedragen: - aan D/E de boerderij met circa 17 ha. weiland voor ƒ 1.048.879,--, en een gedeelte van het melkquotum voor ƒ 471.121,-- - aan F/G circa 7 ha. weiland voor ƒ 290.500,-- en een gedeelte van het melkquotum voor ƒ 559.000,--. Het melkquotum is gedurende de periode 15 mei 1989 tot 31 maart 1990 aan derden verhuurd geweest. Ter zake van deze verhuur is in 1989 een bedrag van ƒ 52.035,-- ontvangen en in 1990 een bedrag van ƒ 40.035,--. In de onderhavige naheffingsaanslag heeft de Inspecteur een bedrag van ƒ 59.941,-- begrepen ter zake van de opbrengst van de verkoop via het boelhuis, de verkoop van de ladewagen en de tijdelijke terbeschikkingstelling en de overdracht van het melk- quotum met betrekking tot voornoemd perceel.
3.2. Het Hof heeft beslist dat ter zake van de in geding zijnde leveringen en diensten noch het bepaalde in artikel 27, lid 1, noch het bepaalde in artikel 31 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) toepassing kan vinden.
3.3. Voor zover het middel erover klaagt dat het Hof ten onrechte belanghebbendes beroep op vertrouwen gewekt door de Resolutie van 11 oktober 1988, nr. VB 87/1386, Vakstudie Nieuws 1988, blz. 2763, welke Resolutie een goedkeuring inhoudt inzake de overdracht van een melkquotum door een landbouwer die ingevolge artikel 27, lid 1, van de Wet geen belasting is verschuldigd ter zake van de in die wetsbepaling bedoelde prestaties, niet heeft behandeld, kan het niet tot cassatie leiden, aangezien in 's Hofs oordeel volgens welk het melkquotum niet behoorde tot de normale uitrusting van het veehouders- c.q. veehandelaarsbedrijf, ligt besloten dat het Hof de activiteiten van belanghebbende voor zover deze de handel in onroerend goed betreffen niet heeft gezien als door hem in zijn hoedanigheid van veehouder c.q. veehandelaar verricht, hetgeen meebrengt dat de Resolutie geen toepassing kan vinden.
3.4. Voor zover het middel ten betoge strekt dat belanghebbende met de overdracht van een onroerend goed, bestaande uit boerderij met weiland en een melkquotum, een algemeenheid van goederen heeft overgedragen, faalt het eveneens, nu het Hof heeft geoordeeld dat met het geheel van deze activa geen onderneming - in elk geval geen veehoudersbedrijf - kan worden uitgeoefend, in welk oordeel ligt besloten het oordeel dat deze activa niet zijn overgedragen als een geheel met behoud van de door de gezamenlijke bestemming bepaalde samenhang. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige niet in cassatie op zijn juistheid worden getoetst.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 12 februari 1997 vastgesteld door de raadsheer Van der Linde als voorzitter en de raadsheren Bellaart, De Moor, Van der Putt-Lauwers en Meij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.