ECLI:NL:HR:1997:AA2101

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 mei 1997
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
31562
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • Zuurmond
  • Fleers
  • Pos
  • Beukenhorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geldigheid compromis bij aanslag inkomstenbelasting 1988

Belanghebbende, samen met zijn echtgenote directeur en aandeelhouder van een B.V., had een hoge rekening-courantschuld aan de vennootschap die in 1987 onderwerp was van een boekenonderzoek. Tijdens een bespreking in mei 1988 met inspecteurs werd een compromis gesloten over de aflossing van deze schuld, waarbij een deel als uitdeling van winst zou worden aangemerkt indien de schuld eind 1988 hoger was dan afgesproken.

De Inspecteur stelde vervolgens de aanslag inkomstenbelasting over 1988 vast waarbij het meerdere bedrag als inkomsten uit vermogen werd belast. Belanghebbende betwistte de aanslag en voerde onder meer aan dat de hoofdcontroleur niet bevoegd was om het compromis te sluiten voor inkomstenbelastingzaken.

Het hof oordeelde dat de hoofdcontroleur wel bevoegd was, mede omdat een adjunct-inspecteur der directe belastingen aanwezig was en het compromis bij de aanslagregeling werd uitgevoerd. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst ook het verweer af dat belanghebbende onder dwang zou hebben ingestemd.

De Hoge Raad acht geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en verwerpt het beroep in cassatie, waarmee het hofarrest in stand blijft.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest bevestigd.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 9 augustus 1995 betreffende de hem voor het jaar 1988 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1988 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 107.567,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten 3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende en zijn echtgenote waren sedert 1977 beiden directeur en de enige aandeelhouders van een B.V., waarin een restaurant werd gedreven. Belanghebbende en zijn echtgenote hadden een rekening-courantschuld aan de B.V., welke schuld in de loop der jaren hoog was opgelopen. Eind 1985 bedroeg de schuld ƒ 319.545,--. In 1987 heeft bij de B.V. een boekenonderzoek plaatsgevonden over de jaren 1982 tot en met 1985. Hierbij is onder andere de hoge rekening-courantschuld aan de orde gekomen. Bij de slotbespreking betreffende het boekenonderzoek is door belanghebbende toegezegd dat hij een aflossings- schema zou overleggen. Op 24 mei 1988 heeft uiteindelijk ter inspectie vennootschapsbelasting een bespreking plaatsgevonden tussen belanghebbende, zijn adviseur, een adjunct-inspecteur der directe belastingen en een hoofdcontroleur bij de inspectie vennootschapsbelasting. De resultaten van die bespreking zijn neergelegd in een brief van 30 mei 1988, welke afkomstig is van en ondertekend is door de vorenbedoelde hoofdcontroleur bij de inspectie vennootschapsbelasting. Deze brief is door belanghebbende en zijn adviseur voor akkoord ondertekend. Uit de brief blijkt dat is overeengekomen dat de rekening-courant- schuld door belanghebbende te rekenen vanaf het jaar 1986 in vijf jaarlijkse termijnen zou worden afgelost en dat indien de schuld eind 1988 hoger zou zijn dan ƒ 127.818,--, het meerdere zal worden aangemerkt als een uitdeling van winst en als zodanig in de inkomstenbelasting zal worden betrokken. Eind 1988 bedroeg de rekening-courantschuld ƒ 193.942,--. Het verschil tussen dit bedrag en ƒ 127.818,--, te weten ƒ 66.124,-- is door de Inspecteur bij de vaststelling van de aanslag inkomstenbelasting over 1988 aangemerkt als inkomsten uit vermogen. 3.2. In de tweede klacht herhaalt belanghebbende zijn door het Hof verworpen stelling dat de onder 3.1 genoemde overeenkomst geen gelding heeft voor de heffing van inkomstenbelasting, omdat de hoofdcontroleur bij de inspectie vennootschapsbelasting niet bevoegd was op te treden in aangelegenheden betreffende de inkomstenbelasting. 3.3. In 's Hofs overwegingen dienaangaande ligt besloten het oordeel dat de hoofdcontroleur bij de inspectie vennootschapsbelasting door de Inspecteur gemachtigd was het onderhavige compromis te sluiten voor zover daarin afspraken over de inkomstenbelasting werden gemaakt. Dit oordeel is geenszins onbegrijpelijk in het licht van de vaststaande omstandigheden dat bij de vermelde bespreking op 24 mei 1988, waarvan de resultaten bij de door belanghebbende en zijn toenmalige gemachtigde voor akkoord ondertekende brief van 30 mei 1988 zijn bevestigd, de (adjunct-inspecteur der directe belastingen zelf aanwezig was en dat vervolgens aan het compromis bij de aanslagregeling uitvoering is gegeven. 3.4. Hiervan uitgaande heeft het Hof terecht niet van belang geoordeeld dat het schriftelijk vastgelegde compromis niet door een voor de inkomstenbelasting bevoegde functionaris is medeondertekend en dat belanghebbende - naar hij stelt - tijdens de bespreking op 24 mei 1988 niet ervan op de hoogte was dat de genoemde adjunct-inspecteur der directe belas- tingen namens de Inspecteur optrad. 3.5. Het tweede middel dat van een andere opvatting uitgaat, faalt. 3.6. Het oordeel van het Hof dat belanghebbende geen feiten of omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt op grond waarvan geconcludeerd zou moeten worden dat hij onder dwang met het compromis heeft ingestemd, kan als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Ook de eerste klacht faalt derhalve.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 7 mei 1997 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, Fleers, Pos en Beukenhorst, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Reijngoud, en op die datum in het openbaar uitgesproken.