ECLI:NL:HR:1997:AA2117

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 maart 1997
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
32002
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • raadsheer Zuurmond
  • raadsheer Fleers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt navorderingsaanslag inkomstenbelasting na aandelenverkoop tegen onzakelijke prijs

Belanghebbende, enig aandeelhouder van A BV, kocht via B BV aandelen in C BV voor ƒ 1,-- terwijl de intrinsieke waarde ƒ 40.000,-- bedroeg. Kort daarna verkocht belanghebbende deze aandelen aan A BV voor dezelfde lage prijs. Het Hof oordeelde dat deze transacties niet bedoeld waren om de aandelen voor de lage prijs te houden en bevestigde de navorderingsaanslag met een aangepaste verhoging.

Belanghebbende stelde twee middelen van cassatie voor, maar de Hoge Raad verwierp deze. De Hoge Raad bevestigde dat het voordeel van het verschil tussen de lage aankoopprijs en de werkelijke waarde belastbaar is. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Het arrest werd op 12 maart 1997 door de Hoge Raad vastgesteld en in het openbaar uitgesproken, waarmee het beroep in cassatie werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de navorderingsaanslag met aangepaste verhoging blijft gehandhaafd.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 7 november 1995 betreffende na te melden aan hem over het jaar 1990 opgelegde aanslag tot navordering van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, navorderingsaanslag en geding voor het Hof Aan belanghebbende is aanvankelijk voor het jaar 1990 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 151.292,--. Vervolgens is hem over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 191.291,--, met een verhoging van ƒ 23.999,--, welke verhoging bij besluit van de Inspecteur tot op ƒ 5.999,-- is kwijtgescholden. Belanghebbende is van de navorderingsaanslag en het besluit tot gedeeltelijke kwijtschelding in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, de navorderingsaanslag gehandhaafd, het kwijtscheldingsbesluit vernietigd en de verhoging kwijtgescholden tot op ƒ 500,--.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij twee middelen van cassatie voorgesteld. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen 3.1. In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende. Belanghebbende is enig aandeelhouder van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid A BV. A BV hield 18,8% van de aandelen in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B BV. B BV was in 1990 enig aandeelhouder van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid C BV. Op 30 november 1990 besloot B BV tot verkoop van haar aandelen C BV aan belanghebbende tegen een verkoopprijs van ƒ 1,--. Bij akte van 4 december 1990 zijn de aandelen aan belanghebbende in privé geleverd. Blijkens akte van 7 november 1991 heeft belanghebbende de aandelen C BV verkocht aan A BV tegen een verkoopprijs van ƒ 1,--. Volgens de akte was deze verkoop reeds overeengekomen op 30 december 1990. 3.2. Het Hof heeft, in cassatie onbestreden, geoordeeld dat het niet van de aanvang af de bedoeling is geweest dat de aandelen C BV, die belanghebbende als middellijk aandeelhouder in B BV voor in totaal ƒ 1,-- van deze vennootschap kocht, voor diezelfde prijs gekocht zouden worden door A BV. 3.3. Hiervan uitgaande heeft het Hof terecht geoordeeld dat de omstandigheid dat belanghebbende de aandelen C BV kort na aankoop voor ƒ 1,-- heeft verkocht aan A BV niet wegneemt dat belanghebbende door de aankoop van de aandelen C BV als middellijk aandeelhouder in B BV een voordeel ter grootte van het verschil tussen ƒ 1,-- en de ƒ 40.000,-- bedragende intrinsieke waarde van die aandelen verkreeg. De middelen, die zich tegen dit oordeel richten, falen derhalve.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 12 maart 1997 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Barendse, en op die datum in het openbaar uitgesproken.