ECLI:NL:HR:1997:AA2151

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 juni 1997
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
32385
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Van der Linde
  • Bellaart
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing wijziging afschrijving goodwill in inkomstenbelasting 1989

Belanghebbende nam in februari 1988 een apothekerspraktijk over en betaalde daarvoor een bedrag van ƒ 1.500.000 voor goodwill. In 1988 schreef hij 10% van deze goodwill af, maar in 1989 wilde hij de afschrijving verhogen tot 22,5% vanwege ontwikkelingen in de gezondheidszorg.

De Inspecteur accepteerde slechts de oorspronkelijke afschrijving van 10%. Het Hof verwierp de door belanghebbende bepleite wijziging van de afschrijvingstermijn als willekeurig en in strijd met goed koopmansgebruik, omdat niet was aangetoond dat de oorspronkelijke termijn van tien jaar niet langer passend was.

De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het Hof, dat de afschrijvingstermijn niet mocht worden verkort, een feitelijke beoordeling betreft die in cassatie niet kan worden getoetst. Het cassatieberoep faalt daarom en wordt verworpen. Er worden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het oordeel van het hof bevestigd dat de afschrijvingstermijn van goodwill niet mag worden gewijzigd.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 5 maart 1996 betreffende de hem voor het jaar 1989 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1989 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 250.060,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende heeft in februari 1988 een apothekerspraktijk overgenomen tegen de per 1 januari 1988 daaraan toe te kennen waarde. Bij de overname heeft hij een bedrag van ƒ 1.500.000,-- voor goodwill betaald. In 1988 heeft belanghebbende op deze goodwill een bedrag van ƒ 150.000,--, zijnde 10% van de historische kostprijs, afgeschreven.
3.2. Voor het Hof heeft belanghebbende aangevoerd dat de ontwikkelingen in de gezondheidszorg aanleiding waren voor een bijstelling van de gebruiksduur en herziening van de afschrijvingstermijn van de goodwill in 1989. Van het door belanghebbende in het onderhavige jaar (1989) op de goodwill afgeschreven bedrag, ter grootte van ƒ 337.500,--, zijnde 22,5% van de historische kostprijs, heeft de Inspecteur slechts een bedrag van ƒ 150.000,-- geaccepteerd.
3.3. Het Hof heeft de door belanghebbende bepleite wijziging in de afschrijvingstermijn van de door hem gekochte goodwill als willekeurig en in strijd met goed koopmansgebruik verworpen. Aan dit oordeel heeft het Hof met name ten grondslag gelegd dat niet is gesteld of gebleken dat de keuze van belanghebbende voor een afschrijving van de goodwill in tien jaren niet in overeenstemming met goed koopmansgebruik was noch dat de in 's Hofs uitspraak in punt 4.4 genoemde ontwikkelingen in de gezondheidszorg tot een wijziging van het afschrijvingsstelsel voor de jaren na 1988 noopten.
3.4. In dit oordeel ligt besloten dat het tijdvak gedurende hetwelk de overgenomen goodwill voor de onderneming zijn nut zou afwerpen, ook in 1989 naar verwachting niet korter was dan tien jaren. Dit oordeel kan wegens zijn feitelijke aard in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk. Het middel, dat zich tegen dit oordeel richt, faalt derhalve.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 11 juni 1997 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde en Bellaart, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.