ECLI:NL:HR:1997:AA2178
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Urlings
- raadsheer Zuurmond
- raadsheer Fleers
- raadsheer Beukenhorst
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toepassing artikel 18 Successiewet 1956 bij vorderingen wegens overbedeling
Belanghebbenden, erven B, maakten bezwaar tegen aanslagen in het recht van successie over hun verkrijgingen uit de nalatenschap van B, overleden in 1991. De aanslagen werden verminderd door de Inspecteur, maar het Gerechtshof bevestigde deze vermindering. Belanghebbenden stelden cassatieberoep in tegen het oordeel van het Hof.
De kern van het geschil betrof de uitleg van artikel 18 van Pro de Successiewet 1956, met name of deze bepaling beperkt zou zijn tot het moment van het ontstaan van vorderingen wegens overbedeling. De Hoge Raad oordeelde dat noch de bewoordingen noch de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 18 een Pro dergelijke beperkte uitleg rechtvaardigen.
Het Hof had de waarde van de vordering wegens overbedeling vastgesteld op de nominale waarde, verminderd met de waarde van het vruchtgebruik dat aan de moeder van de erflaatster toekomt, conform artikel 21 lid 8 van Pro de Wet. De Hoge Raad bevestigde deze waardering en wees het cassatieberoep af.
Ten slotte oordeelde de Hoge Raad dat geen aanleiding bestond voor een veroordeling in proceskosten op grond van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het oordeel van het Hof bevestigd.