ECLI:NL:HR:1997:AA2181

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 juni 1997
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
31886
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Bellaart
  • Van Brunschot
  • Meij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad veroordeelt Staat in proceskosten na intrekking cassatieberoep motorrijtuigenbelasting

Belanghebbende had een cassatieberoep ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem inzake een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting. Dit beroep werd later ingetrokken. Vervolgens verzocht belanghebbende om vergoeding van de proceskosten die hij had gemaakt in verband met de behandeling van het geding voor het Hof en in cassatie.

De Staatssecretaris van Financiën wees het verzoek primair af en stelde subsidiair een lagere vergoeding voor. De Hoge Raad oordeelde dat de noodzaak tot het instellen van het beroep niet uitsluitend aan belanghebbende kon worden toegerekend, zodat vergoeding van proceskosten niet zonder meer kon worden geweigerd.

De Hoge Raad stelde vast dat belanghebbende redelijkerwijs kosten had moeten maken voor de behandeling van het geding voor het Hof, maar dat er geen aanwijzingen waren dat kosten waren gemaakt conform het Besluit proceskosten fiscale procedures voor de cassatiebehandeling. Daarom veroordeelde de Hoge Raad de Staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten voor het geding bij het Hof, vastgesteld op ƒ 1.420,-- voor beroepsmatige rechtsbijstand.

Het arrest werd op 11 juni 1997 uitgesproken door de raadsheren Bellaart, Van Brunschot en Meij, in aanwezigheid van de waarnemend griffier Van Hooff.

Uitkomst: De Staatssecretaris van Financiën wordt veroordeeld tot betaling van ƒ 1.420,-- aan proceskosten voor het geding bij het Hof.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z betreffende na te melden verzoek.
1. Verzoek Bij de intrekking van een beroepschrift in cassatie gericht tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 30 januari 1996 betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting heeft deze op 8 oktober 1996 een verzoek gedaan om de Staat der Nederlanden te veroordelen in de kosten in verband met de behandeling van het geding in cassatie en de behandeling van het geding voor het Hof, totaal tot een bedrag van ƒ 3.195,--. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift primair geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek en subsidiair tot toekenning van een vergoeding van proceskosten aan belanghebbende tot een bedrag van ƒ 1.065,--.
2. Beoordeling van het verzoek 2.1. Bij de beoordeling van het onderhavige verzoek stelt de Hoge Raad voorop dat, anders dan de Staatssecretaris betoogt, niet kan worden gezegd dat de noodzaak tot het instellen van het beroep bij het Hof en het beroep in cassatie uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van belanghebbende, zodat een vergoeding van de proceskosten om die reden niet achterwege behoeft te blijven.
2.2. De Hoge Raad acht, gelet op de inhoud van het procesdossier en de gegevens die door partijen op dit punt zijn verstrekt, termen aanwezig om de Staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van de gedingen in cassatie en voor het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Terzake van de behandeling van het geding in cassatie is uit de inhoud van het procesdossier noch uit de door partijen verstrekte gegevens gebleken dat belanghebbende kosten heeft gemaakt als bedoeld in artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten fiscale procedures. Terzake van de behandeling van het geding voor het Hof dient te worden beslist als hierna zal worden vermeld.
3. Beslissing De Hoge Raad veroordeelt de Staatssecretaris van Financien in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 1.420,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is op 11 juni 1997 vastgesteld door de raadsheer Bellaart als voorzitter, en de raadsheren Van Brunschot en Meij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.