ECLI:NL:HR:1997:AA2216
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Urlings
- raadsheer Zuurmond
- raadsheer Pos
- raadsheer Fleers
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over belastingheffing bij verkoop en inkoop van aandelen binnen familievennootschappen
Belanghebbende en zijn familie waren aandeelhouders in twee vennootschappen, B B.V. en C B.V., die onderling aandelen hielden. In 1985 kocht B B.V. aandelen in van zowel C B.V. als de erfgenamen, waarna de erfgenamen hun aandelen in C B.V. aan een bank verkochten. De Inspecteur legde een aanslag inkomstenbelasting op waarbij een deel van de opbrengst werd belast tegen het bijzondere tarief voor aanmerkelijk belang.
Het hof handhaafde deze aanslag, oordelend dat sprake was van een samenstel van rechtshandelingen waarmee de aandeelhouders steeds de beschikking konden krijgen over de reserves zonder deze als inkomen uit vermogen te rekenen. Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel, stellende dat het hof ten onrechte het belang bij B B.V. had behouden en onvoldoende rekening had gehouden met de vennootschappelijke structuur.
De Hoge Raad verwierp alle middelen van belanghebbende en stelde ambtshalve vast dat de inkomsten uit de verkoop van aandelen C B.V. moeten worden belast met toepassing van een faciliteit die tot 1990 gold voor inkomsten uit aanmerkelijk belang. De aanslag werd verminderd door een deel van de inkomsten tegen het lagere bijzondere tarief te belasten. Tevens werden de proceskosten aan de zijde van belanghebbende toegewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de aanslag inkomstenbelasting door een deel van de inkomsten uit aanmerkelijk belang tegen het lagere bijzondere tarief te belasten.