ECLI:NL:HR:1997:AA2217
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Urlings
- raadsheer Zuurmond
- raadsheer Pos
- raadsheer Fleers
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt waardering onroerende zaken in successierecht ondanks betwisting
Belanghebbenden, de erven A, maakten bezwaar tegen een aanslag in het successierecht ter zake van hun verkrijgingen uit de nalatenschap van erflater, overleden in 1989. De aanslag bedroeg in totaal ƒ 34.882,18 en werd gehandhaafd door de inspecteur na bezwaar. Vervolgens kwam het geschil voor het Gerechtshof te 's-Gravenhage, dat het oordeel van de inspecteur bevestigde.
Belanghebbenden stelden in cassatie dat de waarde van de onroerende zaken in de nalatenschap lager moest worden vastgesteld vanwege de contante waarde van de nettoruilverkavelingsschuld, een aftrekpost die zij berekenden en die volgens hen de economische waarde van de onroerende zaken drukt. Het hof oordeelde dat deze stelling feitelijk neerkwam op een andere waarderingsgrondslag dan die door de inspecteur werd gehanteerd en wees deze af.
De Hoge Raad stelde vast dat het hof de waardering van de inspecteur voldoende aannemelijk had gemaakt en dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk was. De middelen van belanghebbenden faalden dan ook. De Hoge Raad zag geen aanleiding tot het opleggen van proceskosten en verwierp het cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de aanslag successierecht wordt gehandhaafd.