ECLI:NL:HR:1997:AA2262
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- Bellaart
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing toepassing artikel 18 Wet IB 1964 bij inbreng onderneming in BV met oog op overdracht
Belanghebbende bracht zijn onderneming per 1 januari 1990 in een op te richten besloten vennootschap (BV) in, nadat Rabobank hem had benaderd voor verkoop. Vervolgens werd overeengekomen dat de BV haar onderneming zou inbrengen in een andere BV waarin Rabobank de zeggenschap zou verkrijgen en het recht had aandelen over te nemen.
Belanghebbende verzocht de Inspecteur om toepassing van artikel 18 Wet Pro op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB 1964) op deze inbreng, wat werd afgewezen. Het Hof Arnhem bevestigde deze afwijzing, stellende dat artikel 18 niet Pro van toepassing is wanneer de inbreng onderdeel is van een reeks rechtshandelingen gericht op overdracht van de onderneming.
In cassatie stelde belanghebbende dat de EU-fusierichtlijn (90/434/EEG) van toepassing was en dat de standaardvoorwaarden onterecht werden toegepast. De Hoge Raad oordeelde dat de richtlijn pas vanaf 1 januari 1992 verbindend is en dat de toepassing van artikel 18 terecht Pro werd afgewezen. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de afwijzing van toepassing van artikel 18 Wet IB 1964 blijft gehandhaafd.