ECLI:NL:HR:1997:AA3185
Hoge Raad
- Cassatie
- Van der Linde
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Rechtspraak.nl
Beoordeling waardering pand bij overgang van ondernemingsvermogen naar privévermogen voor inkomstenbelasting
Belanghebbende heeft zijn onderneming in juni 1989 gestaakt en het pand, bestaande uit een bedrijfsgedeelte en een woning, overgebracht naar zijn privévermogen. De discussie betrof de waardering van het pand bij de staking, waarbij belanghebbende stelde dat het bedrijfsgedeelte in vrij opleverbare en het woongedeelte in bewoonde staat moest worden gewaardeerd. De Inspecteur stelde een hogere waarde vast op basis van een taxatie zonder rekening te houden met het voornemen van belanghebbende om de woning te blijven bewonen.
Het Hof was het eens met de Inspecteur dat de waarde moest worden bepaald in vrij opleverbare staat, omdat het voornemen tot duurzame bewoning niet onvoorwaardelijk was. De Hoge Raad bevestigt dat het voornemen tot duurzame bewoning een relevante omstandigheid is die de waarde kan beïnvloeden, maar dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat het voornemen niet onvoorwaardelijk was en dat de woning niet bestemd was tot duurzame bewoning op het moment van staking.
Daarnaast verwierp het Hof het standpunt van belanghebbende dat de waarde van het pand ƒ 390.000,-- bedroeg en handhaafde de door de Inspecteur gehanteerde waarde van ƒ 400.000,--. De Hoge Raad oordeelt dat deze feitenoordelen niet onbegrijpelijk zijn en dat het cassatieberoep faalt. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de aanslag inkomstenbelasting met de hogere waardering van het pand.