ECLI:NL:HR:1997:AA3215
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- Bellaart
- Van Brunschot
- Meij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van aanmerkelijk belang bij emissie en storting van aandelen voor inkomstenbelasting
Belanghebbende had een middellijk 50% belang in B B.V., dat op 9 juni 1986 werd omgezet in een onmiddellijk belang met een emissie van 60 aandelen. Door volstortingen van andere aandeelhouders daalde zijn aandeel in het gestorte kapitaal tot 23%, waarna hij zelf volstortte en zijn belang op 33% kwam. In 1990 verkocht hij 4,93 aandelen, waarvan de Inspecteur de winst als aanmerkelijk belang aanmerkte.
Het Hof bevestigde deze heffing, waarna belanghebbende cassatie instelde. De Hoge Raad overwoog dat anders dan in eerdere jurisprudentie, hier de aanspraken op de aandelen zijn ontstaan bij de emissie, niet bij de volstorting, zodat de aandelen ten tijde van verkoop tot het aanmerkelijk belang behoorden. De tekst van artikel 39 lid 3 Wet Pro IB 1964 laat geen ruimte voor afwijking.
De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde dat de vijfjaarstermijn voor aanmerkelijk belang wordt berekend vanaf het moment van emissie, waarbij volstorting bepalend is voor het aandeelhouderschap, maar niet voor het ontstaan van de aanspraken. Proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het Hof bevestigd.