ECLI:NL:HR:1997:AA3217

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 januari 1997
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30183
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • raadsheer Urlings
  • raadsheer Zuurmond
  • raadsheer Fleers
  • raadsheer Beukenhorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
2 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt redelijkheid van autokostenaftrek fractievoorzitter gemeenteraad

Belanghebbende, fractievoorzitter van een tweemansfractie in de gemeenteraad van R, bracht in zijn aangifte inkomstenbelasting over 1990 autokosten ter waarde van ƒ 6.600,-- in aftrek. De Inspecteur handhaafde de aanslag, maar het Hof Leeuwarden vernietigde deze en verminderde de aanslag tot een belastbaar inkomen van ƒ 67.080,--.

De Staatssecretaris van Financiën stelde cassatieberoep in tegen het Hofarrest. De kern van het geschil betrof de redelijkheid van de aftrek van autokosten. De Inspecteur baseerde zich op een onderzoek onder 33 andere raadsleden waaruit bleek dat slechts vijf raadsleden reiskosten claimden, gemiddeld ƒ 155,-- per persoon, en stelde dat dit bedrag als maximum aftrekbaar moest worden beschouwd.

Het Hof verwierp dit standpunt omdat het onderzoek te algemeen en onvoldoende toegespitst was op de specifieke situatie van belanghebbende, die fractievoorzitter was in een gemeente met een groot buitengebied. De Hoge Raad bevestigde deze motivering en oordeelde dat de beoordeling van redelijkheid niet uitsluitend cijfermatig kan zijn, maar alle omstandigheden moet meenemen, waaronder verstrekte voorzieningen en vergelijkbare situaties.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en oordeelde dat de bewijslast omtrent de redelijkheid van de kosten op de belastingplichtige rust. Er werden geen proceskosten aan de zijde van belanghebbende toegekend. De uitspraak werd op 8 januari 1997 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de redelijkheid van de autokostenaftrek van belanghebbende.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 4 maart 1994 betreffende de X te Z voor het jaar 1990 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1990 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 68.961,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 67.080,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende was gedurende het jaar 1990 fractievoorzitter van een tweemansfractie in de gemeenteraad van R. Hij heeft in zijn aangifte op de door hem als raadslid genoten inkomsten autokosten tot een bedrag van ƒ 6.600,-- (15.000 kilometer tegen ƒ 0,44 per kilometer) in aftrek gebracht. 3.2. Voor het Hof bestreed de Inspecteur de door belanghebbende ter zake van de autokosten voorgestane aftrek onder meer als volgt:
"De Belastingdienst/Particulieren P heeft een onderzoek ingesteld naar de afgetrokken kosten ter zake van reizen van 33 andere raadsleden. Uit dit onderzoek blijkt dat er slechts in vijf gevallen reiskosten worden geclaimd met een totaal bedrag van ƒ 5.108,--. Dit is gemiddeld ƒ 155,-- per belastingplichtige. Het omvangscriterium van artikel 35 Wet Pro op de inkomstenbelasting 1964 kan derhalve gesteld worden op ƒ 155,-- zodat er nooit meer aftrekbaar is dan ƒ 155,--."
3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat de autoritten tot een totaal van 10.579 kilometer binnen de grenzen van de redelijkheid zijn gemaakt ter wille van een behoorlijke vervulling van belanghebbendes functie als raadslid. Het onder 3.2 weergegeven op het omvangscriterium van artikel 35, lid 1 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 gebaseerde standpunt is door het Hof verworpen. Zulks op de grond dat "het zeer algemeen gesteld en derhalve te vaag is onderbouwd zonder toespitsing op de specifieke situatie van belanghebbende, zijnde - gelijk voormeld - de positie van fractievoorzitter van een tweemansfractie in een gemeente met een groot buitengebied." Tegen deze verwerping richt zich het middel. 3.4. Voor de beantwoording van de vraag of de door belanghebbende in aftrek gebrachte autokosten al dan niet overtreffen hetgeen gebruikelijk is komt het erop aan of de totale omvang van die kosten, alle omstandigheden in aanmerking genomen - waaronder bijvoorbeeld de door gemeente verstrekte voorzieningen en toegekende vergoedingen, en hetgeen gemeenteraadsleden die in een vergelijkbare positie verkeren daarvoor plegen uit te geven - redelijkerwijs als normaal kan worden beschouwd. Deze beoordeling leent zich niet voor een uitsluitend cijfermatige benadering, en een zekere marge is daarbij onvermijdelijk. 3.5. In dit licht bezien en in aanmerking genomen het hierna onder 3.6 overwogen behoefde de verwerping van het door de Inspecteur gestelde, dat slechts bestaat uit een beroep op een zeer beperkte, voor het Hof niet nader toegelichte steekproef onder gemeenteraadsleden ten aanzien van wie noch blijkens de stukken van het geding noch blijkens 's Hofs uitspraak is aangevoerd dat hun omstandigheden vergelijkbaar zijn met die van belanghebbende, geen nadere motivering dan door het Hof is gegeven. De van het middel deel uitmakende motiveringsklacht faalt. 3.6. Het middel faalt ook voor zover het ervan uitgaat dat stelplicht en bewijslast met betrekking tot de vraag of de kosten als de onderhavige in hun totale omvang overtreffen hetgeen gebruikelijk is op de belastingplichtige rusten (HR 28 juni 1995, nr. 30.321, BNB 1995/225).
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 8 januari 1997 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Fleers en Beukenhorst, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Loen en op die datum in het openbaar uitgesproken.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt ter zake van dit beroep een recht geheven van ƒ 300,--.